Omkering en verzwaring van bewijslast blijft achterwege als ontbreken van vereiste aangifte belastingplichtige niet kan worden aangerekend
Omkering en verzwaring van bewijslast blijft achterwege als ontbreken van vereiste aangifte belastingplichtige niet kan worden aangerekend
Gegevens
- Nummer
- 2026/364
- Publicatiedatum
- 6 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Formeel belastingrecht
- Relevante informatie
Belanghebbende was in 2014 moedermaatschappij van een fiscale eenheid met drie dochters, levensverzekeraars met een vergunning van DNB. DNB heeft bij één van die dochters ingegrepen door benoeming van een curator en het eisen van een herstelplan, minimale solvabiliteit, een afbouwplan voor een beheerste run-off en verkoopvoorbereiding. Ondanks uitnodiging en aanmaning heeft belanghebbende niet tijdig aangifte Vpb 2014 gedaan. De inspecteur heeft ambtshalve een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag dat hij schatte met behulp van de commerciële jaarrekeningen van de drie dochters onder meer gecorrigeerd met: (a) een verhoging van de winst omdat hij die winst niet toerekenbaar achtte aan een in Luxemburg gevestigde herverzekeraar beheerst door dezelfde familie, en (b) een verlaging van de voorziening verzekeringsverplichtingen (VVP). Belanghebbende heeft pas hangende bezwaar een ingevuld aangifteformulier ingediend. Haar bezwaar is ongegrond verklaard.
Rechtbank Gelderland (25 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4242, ) heeft in het midden gelaten of de bewijslast is omgekeerd omdat zij ook daarzonder al niet aannemelijk achtte dat de winst lager moet worden vastgesteld of de VVP hoger. Hof Arnhem-Leeuwarden (22 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4601) heeft wel de bewijslast omgekeerd en verzwaard wegens ontbreken van de vereiste aangifte. Belanghebbende verzette zich daartegen met een beroep op verontschuldigbaarheid: haar financieel directeur en diens medewerkers werden overvraagd door onder meer de gedwongen verkoop van de aandelen in één van haar dochters en door nalatigheid van DNB, de curator en de nieuwe directie. Het hof achtte die omstandigheden irrelevant omdat zij zich pas na mei 2017 voordeden en de aangifte uiterlijk augustus 2015 had moeten worden gedaan. Hij achtte de schatting van de inspecteur redelijk omdat zij was gebaseerd op de commerciële jaarstukken van de dochters met fiscale correcties. Belanghebbende heeft volgens het hof niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de aanslag onjuist was, mede gegeven dat zij haar grieven over de VVP had ingetrokken tijdens het hoger beroep en haar overige grieven, over aansluitverschillen, pas expliciteerde tijdens de hofzitting. Dat vond het hof te laat en daarmee in strijd met een goede procesorde. Hij heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.
In cassatie stelt belanghebbende drie middelen voor. Middel 1 herhaalt het beroep op ontbreken van verwijtbaarheid. Het hof is alleen ingegaan op disculperende omstandigheden van ná mei 2017 en ten onrechte voorbijgegaan aan de ook aangevoerde omstandigheden van vóór 13 augustus 2015. Middel 2 betoogt dat de schatting onredelijk is omdat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het de in bezwaar alsnog gedane aangifte. Als hij meende dat dit niet hoefde, is zijn oordeel onjuist. Als hij meende dat het wel moest, heeft hij niet gemotiveerd waarom hij de van de alsnog ingeleverde aangifte afwijkende schatting redelijk achtte. Middel 3 bestrijdt de tardiefverklaring van de grieven die ter zitting zijn aangevoerd, op twee gronden: (a) uit de gedingstukken volgt dat die grieven eerder zijn aangevoerd, zodat het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is; (b) het hof heeft niet kenbaar het belang van een doelmatige procesgang afgewogen tegen dat van belanghebbende bij beoordeling van haar grieven.
Volgens A-G Wattel gaat middel 1 terecht ervan uit dat omkering en verzwaring van de bewijslast achterwege blijft als het ontbreken van de vereiste aangifte de belastingplichtige niet kan worden aangerekend. Ook betoogt het middel terecht dat het hof is voorbijgegaan aan beweerdelijk disculperende omstandigheden van vóór 13 augustus 2015. Dat leidt echter niet tot cassatie omdat die omstandigheden niet tot een ander oordeel zouden hebben geleid. Dat DNB een curator benoemde bij twee van de dochters van belanghebbende, dat twee bestuurders terugtraden bij één van haar dochters en dat de gewezen bestuurders niets meer te zeggen hadden, impliceert immers geenszins afwezigheid van alle schuld aan het aangifteverzuim, te minder nu de bestuurswisseling blijkbaar ertoe strekte het bestuur te verbeteren en de curatorbenoeming en de bestuurswisseling zich niet voordeden bij de aangifteplichtige belanghebbende. Dat wordt niet anders door een samenloop van omstandigheden die de jaarrekening 2014 van belanghebbende heeft vertraagd en daarmee ook haar aangifte Vpb 2014, nu die jaarrekening is goedgekeurd in januari 2016 en de aangifte desondanks pas in december 2017 is gedaan. Die samenloop kan het aangifteverzuim dus niet verklaren. In de gedingstukken in hoger beroep of cassatie ziet de A-G geen aanwijzingen dat belanghebbende, op wie de stelplicht en bewijslast rusten, andere disculperende omstandigheden heeft aangevoerd. Daarom leidt middel 1 niet tot cassatie.
Middel 2 klaagt volgens de A-G op zichzelf terecht dat het hof niet zonder meer voorbij mocht gaan aan de gegevens op het alsnog ingeleverde aangifteformulier, maar dat leidt alleen tot cassatie als middel 3 doel treft, dat bestrijdt dat belanghebbende te laat – namelijk pas ter zitting – stellingen heeft ingenomen op basis van een bijlage bij dat formulier.
Volgens A-G Wattel strandt middel 3 echter. Onderdeel (a) omdat het oordeel van het hof dat de desbetreffende stellingen pas ter zitting voldoende kenbaar zijn ingenomen, een feitelijk oordeel is dat zijns inziens niet onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd, en onderdeel (b) omdat de uitspraak van het hof weliswaar inderdaad weinig blijk geeft van een afweging tussen de belangen van een doelmatige procesgang en beoordeling van de grieven van belanghebbende, maar het proces-verbaal van de zitting daarvan wél voldoende blijk geeft.
A-G Wattel concludeert tot ongegrondverklaring met verwijzing naar art. 81(1) Wet RO.