Belgische opcentiemen voor niet-ingezeten belastingplichtigen in strijd met vrij verkeer van werknemers
Belgische opcentiemen voor niet-ingezeten belastingplichtigen in strijd met vrij verkeer van werknemers
Gegevens
- Nummer
- 2026/450
- Publicatiedatum
- 25 maart 2026
- Auteur
- Redactie
- Rubriek
- Internationaal en Europees
- Relevante informatie
Het echtpaar DK en JO woont in Frankrijk. DK werkt hoofdzakelijk in Frankrijk en werkt parttime als hoogleraar in België. JO was in loondienst werkzaam geweest in Frankrijk en is inmiddels al geruime tijd inactief. Zij bezitten samen ook onroerend goed in België. Als niet-ingezeten belastingplichtigen werden zij in België belast over het arbeidsinkomen en de inkomsten uit onroerend goed. Boven op hun aanslag IB moesten zij de toeslag voor niet-ingezetenen betalen (opcentiemen). Deze toeslag is voor niet-ingezetenen de tegenhanger van de gemeentelijke heffing die ingezetenen over hun inkomen moeten betalen. Voor ingezetenen varieert die toeslag per agglomeratie of gemeente, terwijl die voor niet-ingezetenen uit een gemiddeld vast tarief (6%-7%) bestaat die ten bate van de Belgische staat komt. DK en JO vinden dat zij in België niet op dezelfde wijze profiteren van de gemeentelijke diensten. Zij sturen hun kinderen bijvoorbeeld niet naar een gemeentelijke school. Bovendien zijn zij in hun woonstaat al gemeentelijke heffingen verschuldigd. Tegen de aanslagen over diverse oude jaren hebben DK en JO bezwaarschriften ingediend die niet-ontvankelijk en ongegrond werden verklaard. In beroep zijn prejudiciële vragen aan het Belgische Grondwettelijk Hof gesteld. Dit oordeelde dat de toeslag juist tot doel heeft discriminatie te vermijden en niet-ingezetenen op evenredige wijze te laten bijdragen in de financiering van de taken van algemeen belang. In het vervolg van de procedure besluit het Hof van Beroep in Luik over de verhouding van de toeslag met het vrije verkeer van werknemers prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. A-G Emiliou heeft een conclusie genomen (). Volgens het Hof beperkt de Belgische regeling het vrije verkeer van werknemers, aangezien personen die geen fiscaal inwoner van België zijn aan een hogere belastingdruk worden onderworpen dan bepaalde fiscale inwoners van België. Volgens het Hof kan de doelstelling om personen die geen fiscaal inwoner zijn, naar evenredigheid van de in een lidstaat verworven inkomsten te laten bijdragen aan de financiering van de openbare diensten van deze lidstaat, legitiem zijn. Echter moet worden vastgesteld dat in casu niet een gelijke belastingdruk maar – in bepaalde situaties – een zwaardere belastingdruk aan deze niet-inwoners wordt opgelegd. Deze regeling is dus niet geschikt om deze doelstelling te verwezenlijken en gaat verder dan noodzakelijk is om die te bereiken. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter is, volgens het Hof, de indirecte discriminatie op grond van art. 45 lid 2 VWEU waarmee personen die geen fiscaal inwoner van België zijn in bepaalde situaties worden geconfronteerd, niet gerechtvaardigd.