Onderzoeksstichting drijft onderneming, maar komt in aanmerking voor onderzoeksvrijstelling

Onderzoeksstichting drijft onderneming, maar komt in aanmerking voor onderzoeksvrijstelling

Gegevens

Nummer
2026/592
Publicatiedatum
15 april 2026
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:529
Rubriek
Vennootschapsbelasting/Dividendbelasting
Relevante informatie

Belanghebbende is een door de Rijksoverheid opgerichte stichting die toegepast onderzoek verricht op het gebied van lucht- en ruimtevaart. De stichting verricht zowel publiek gesubsidieerd onderzoek als contractonderzoek voor (semi)publieke en private partijen. In 2016 bestaat circa 70% van de omzet uit contractonderzoek, waarvan 45% voor (semi)publieke partijen en 30% uit subsidies. De stichting behaalt in de jaren 2010-2018 doorgaans positieve resultaten op het contractonderzoek. Overschotten uit subsidies worden als schuld verantwoord, maar overschotten uit contractonderzoek zijn vrij besteedbaar. Sinds 2016 is de stichting belastingplichtig voor Vpb indien en voor zover zij een onderneming drijft. In geschil is of belanghebbende op grond van art. 6b lid 1 aanhef en letter b Wet Vpb 1969 is vrijgesteld van Vpb. In incidenteel hoger beroep is in geschil of belanghebbende een onderneming drijft. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende een onderneming drijft, omdat zij met haar activiteiten structureel overschotten realiseert en deze niet onderworpen zijn aan een terugbetalings- of bestedingsverplichting die aan het winststreven in de weg staat. Het beroep op het Subsidiebesluit 2005 faalt, omdat niet aannemelijk is dat de overschotten uit contractonderzoek moeten worden aangewend overeenkomstig subsidiedoeleinden of terugbetaald aan de subsidieverstrekker. Ten aanzien van de onderzoeksvrijstelling oordeelt het hof, net als de rechtbank, dat de omzet uit contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen kwalificeert als bekostigd uit publieke middelen in de zin van art. 6b lid 1 aanhef en letter b Wet Vpb 1969. De tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis bieden onvoldoende steun voor de opvatting van de inspecteur dat een contractuele tegenprestatie het karakter van bekostiging uit publieke middelen uitsluit. Het hof volgt de grammaticale uitleg dat ‘bekostigen’ ziet op de herkomst van de middelen, ongeacht het bestaan van een tegenprestatie. Ook het doel van de wetgeving en het gelijkheidsbeginsel tussen publieke en private aanbieders leiden niet tot een andere uitleg. De inspecteur heeft geen aanknopingspunten kunnen aanwijzen in de parlementaire geschiedenis die zijn standpunt ondersteunen. Het hof bevestigt daarom dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor de onderzoeksvrijstelling.

(Hoger beroep ongegrond.)