Home

Kleinepensioenregeling Verdrag Nederland-Duitsland niet in strijd met discriminatieverbod

Kleinepensioenregeling Verdrag Nederland-Duitsland niet in strijd met discriminatieverbod

Gegevens

Nummer
2022/578
Publicatiedatum
13 mei 2022
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:396
Rubriek
Internationaal en Europees

A-G Niessen heeft conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of Nederland, als woonstaat, ingevolge art. 17, lid 2, Verdrag Nederland-Duitsland, inkomstenbelasting mag heffen over Duitse socialezekerheidspensioenen lager dan € 15.000.

Belanghebbende, geboren in 1939, woonde in 2017 in Nederland. In dit jaar heeft belanghebbende onder meer twee uit Duitsland afkomstige socialezekerheidspensioenen ontvangen. Hiervoor is – als gevolg van de kleinepensioenregeling van art. 17, lid 2, Verdrag – geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegepast. In geschil is of terecht Nederlandse inkomstenbelasting is geheven over de Duitse socialezekerheidspensioenen.

Hof Arnhem-Leeuwarden 14 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8586, NTFR 2021/3366, heeft geoordeeld dat de inspecteur de Duitse socialezekerheidspensioenen terecht in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting heeft meegenomen. Op basis van art. 17, lid 2, Verdrag heeft Nederland in onderhavige situatie de belastingheffing toegewezen gekregen, omdat belanghebbende niet meer dan € 15.000 aan pensioeninkomsten uit Duitsland heeft verkregen. Het hof oordeelt dat het onderscheid dat de kleinepensioenregeling van art. 17, lid 2, Verdrag maakt tussen mensen met een pensioen tot en met € 15.000 en mensen met een pensioen boven dat bedrag, niet onredelijk is. De verschillende behandeling is naar het oordeel van het hof niet in strijd met het discriminatieverbod van het EVRM.

Belanghebbende voert in cassatie verschillende klachten aan. Volgens belanghebbende is sprake van een ongelijke behandeling binnen de groep van in Nederland wonende belastingplichtigen met een Duits pensioen. Belanghebbende betoogt dat deze ongelijke behandeling strijd oplevert met het discriminatieverbod van art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM. Voorts klaagt belanghebbende dat art. 17, lid 2, Verdrag hem in een verslechterde financiële situatie brengt ten opzichte van het vorige verdrag, nu het heffingsrecht is verschoven naar Nederland. Tot slot stelt belanghebbende dat het Verdrag niet rechtsgeldig is, omdat het niet in de Duitse wetgeving is opgenomen.

Bij de beoordeling van de eerste klacht stelt A-G Niessen voorop dat deze zich richt tegen een regeling die de beide betrokken staten in het Verdrag hebben getroffen. De advocaat-generaal overweegt dat de toepassing van het gelijkheidsbeginsel plaatsvindt in verband met de rechtstoepassing door een rechtsorgaan binnen de grenzen van zijn competentie. Van schending daarvan is volgens de advocaat-generaal in het onderhavige geval geen sprake, aangezien de Nederlandse belastingdienst die de aanslag heeft opgelegd, eenvoudigweg de geldende nationale belastingwetgeving – die door het Verdrag in een geval als dat van belanghebbende niet wordt geraakt – zonder onderscheid heeft toegepast. De klacht faalt.

De A-G begrijpt dat belanghebbende met zijn tweede klacht bedoelt dat hij door de verdragswijziging in een verslechterde financiële positie is geraakt. Aangezien geen regel verbiedt dat de rechtspositie die een belanghebbende onder een tussen twee staten gesloten verdrag toekomt, onder een opvolgend tussen die partijen gesloten verdrag ongunstiger wordt, faalt ook de tweede klacht.