JBN 2007/9 - Het notarieel pensioenfonds maakt een verboden onderscheid
Aflevering 2, gepubliceerd op 01-02-2007 geschreven door H. LoonsteinElke notaris en kandidaat-notaris is op de voet van artikel 113a van de Wet op het notarisambt verplicht om deel te nemen in de Stichting Notarieel Pensioenfonds (sinds 1 januari 2006 is dit geregeld in de Wet op het notarisambt, tot dan artikel 5 van de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een Notarieel Pensioenfonds). Deelnemers hebben - in geval zij geheel of ten dele arbeidsongeschikt zijn - recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen. Het vigerende pensioenreglement bepaalt, dat deelnemers van 50 jaar of ouder arbeidsongeschikt zijn, indien zij door ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk ongeschikt zijn om ‘in het notariaat als notaris of kandidaat-notaris arbeid te verrichten’. Is men op het moment, dat de arbeidsongeschiktheid ontstaat jonger dan 50 jaar, dan geldt een ander, nadeliger, criterium. Als men in staat wordt geacht om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring gewoonlijk met arbeid verdienen, dan is men niet arbeidsongeschikt in de zin van het geldende reglement. Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen 50-plussers en 50-minners. De schrijver meent dat dit een bij wet verboden onderscheid op grond van leeftijd oplevert.De Commissie Gelijke Behandeling deelt, blijkens een uitspraak van 14 maart 2006 die opvatting. Zo ook de voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank getuige zijn vonnis van 18 juli 2006. In stilte werkt het bestuur van de Stichting Notarieel Pensioenfonds aan een nieuwe regeling. Wijzigingen in het Pensioenreglement behoeven de voorafgaande goedkeuring van de minister van Justitie, die alvorens goedkeuring te verlenen, De Nederlandsche Bank hoort (artikel 113b, lid 3, Wet op het notarisambt). Of notarissen en kandidaat-notarissen een gerust hart kunnen hebben, is maar de vraag.