NTFR Beschouwingen 2009/39 - Omtrent onttrekkingen
Aflevering 10, gepubliceerd op 08-10-2009 geschreven door mr. J.J.M. LamersIn deze bijdrage zal ik ingaan op de reikwijdte van art. 3,3,a Wet OB 1968). De redactie van dit artikel is gewijzigd per 1 januari 2007 en aangepast aan de terminologie van de Btw-richtlijn. Het is de vraag of deze wijziging slechts redactioneel van aard is of dat ook het toepassingsbereik met de wijziging van deze bepaling is veranderd. Art. 3,3,a heeft tot doel te voorkomen dat een ondernemer goederen in de consumptieve sfeer kan brengen zonder dat daarop btw drukt. Een ondernemer heeft immers recht op aftrek van voorbelasting bij de aankoop van goederen die hij voor belaste handelingen gaat bezigen. Als hij deze goederen nu, na de voorbelasting daarop te hebben afgetrokken, onttrekt aan zijn onderneming en bijvoorbeeld overbrengt naar zijn privésfeer kan hij zonder nadere regeling btw-vrij over de goederen beschikken. Dat is natuurlijk niet de bedoeling en daarom kennen we de fictieve levering van art. 3,3,a die zorgt dat ingeval een ondernemer goederen aan zijn onderneming onttrekt hij btw dient te voldoen over de aankoopprijs of kostprijs van het goed. Ik wil de reikwijdte van art. 3,3,a (en zijn voorloper art. 3,1,g) bespreken aan de hand van een tweetal onlangs besliste zaken. Het markante is dat de arresten helemaal niet gaan over de toepassing van art. 3,3,a.