Vastgoed Fiscaal & Civiel 2004, afl. 1 - Vastgoednieuws
Aflevering 1, gepubliceerd op 01-03-2004 geschreven door Mw. mr. K. Bodamèr-den ReijerDe casus in de uitspraak van Hof Den Bosch van 30 oktober 2003 (nr. 02/04381) was als volgt. Holding X verkreeg op 29 december 2000 de eigendom van 9,9% van de aandelen in Vastgoed BV. In de leveringsakte was vermeld dat overdrachtsbelasting verschuldigd werd. Vastgoed BV verhuurde haar vastgoed aan een aantal vennootschappen, waarin Holding X op 29 december 2000 eveneens een (on)middellijk belang van 9,9% verkreeg. Die vennootschappen exploiteerden pizzeria's. Het financieel belang bij de overige 90,1% in Vastgoed BV en de andere vennootschappen berustte bij de broer van de enig aandeelhouder van Holding X. Holding X ging in beroep tegen de door haar voldane overdrachtsbelasting. Holding BV betwijfelde of Vastgoed BV kwalificeert als een vennootschap als bedoeld in art. 4 WBR. Vastgoed BV voldeed weliswaar aan de bezitseis, maar niet aan de doeleis. Vastgoed BV maakt namelijk deel uit van een verzameling van vennootschappen die feitelijk nog steeds worden geleid door één persoon. Holding X verwees naar een arrest van HR 6 november 1985 (BNB 1986/34). Daarin was beslist dat er geen sprake was van een art. 4-vennootschap, wanneer de exploitatie van het onroerend goed plaatsvond in het kader van een ander bedrijf dan de exploitatie van onroerend goed. Deze regel moest volgens Holding X worden doorgetrokken naar de situatie waarin Vastgoed BV verkeerde. Vastgoed BV behoorde tot een groep van vennootschappen, waarover een enkele persoon uiteindelijk alle zeggenschap uitoefende. Economisch was volgens Holding X dan ook sprake van één onderneming, waarbij het bezit van het vastgoed noodzakelijk was voor de exploitatie van de pizzeria's. Hof Den Bosch was het daar echter niet mee eens. De lijn van het arrest uit 1985 kon volgens het hof niet worden doorgetrokken naar alle gevallen waarin uiteindelijk centraal gezag werd uitgeoefend over vastgoed en bedrijven. Vastgoed BV oefende zelf namelijk niet een bedrijf uit. Ook uit de tekst, het doel, de strekking en de wetsgeschiedenis van art. 4 WBR kon niet worden afgeleid dat Holding X de algemene regel van het arrest uit 1985 kon toepassen op haar geval. Het hof verwierp dan ook het beroep. Tegen de uitspraak is cassatie ingesteld.