Vastgoed Fiscaal & Civiel 2008/29 - WvG en overeenkomsten van koop en hypotheek
Aflevering 2, gepubliceerd op 01-04-2008 geschreven door Mw. mr. drs. A. van Dijk MRE en Mr. T.S. de LangeHof Den Haag heeft een belangrijke uitspraak gedaan over de WvG. De casus was als volgt: Op percelen van Verkoper rustte een voorkeursrecht als bedoeld in de WvG. Toch verkocht Verkoper die gronden aan Koper. Afgesproken werd dat levering plaats zou vinden na wijziging van de bestemming tot bedrijventerrein. Koper moest ook de vordering overnemen die Bank-1 als financier op Verkoper had. Daarna sloot Koper een kredietovereenkomst met Bank-2 in verband met de aankoop van de gronden en de projectontwikkeling. Tot zekerheid van die kredietrelatie van Koper, verleende Verkoper aan Bank-2 een recht van (derde-)hypotheek op de verkochte percelen. Vervolgens vorderde de gemeente op grond van art. 26 WvG vernietiging van de koopovereenkomst tussen Verkoper en Koper, de kredietovereenkomst tussen Koper en Bank-2 en de hypotheekvestiging van Verkoper ten behoeve van Bank-2. De rechtbank gaf de gemeente gelijk en vernietigde de rechtshandelingen. Er volgde een hoger beroep bij het hof. Het hof oordeelde dat de aanbiedingsplicht ingeval van een WvG-voorkeursrecht niet geldt ingeval de levering geschiedt ingevolge een verkoop krachtens wetsbepaling of bevel des rechters of een openbare executoriale verkoop (art. 10 WvG). Tevens oordeelde het hof dat dit laatste geldt voor zowel een openbare als een onderhandse executieverkoop. Indien er een onderhandse executoriale verkoop wordt voorgesteld dient de voorzieningenrechter de hypotheekgever, de hypotheekhouder, beslagleggers en beperkt gerechtigden die bij een hogere opbrengst belang hebben, in de gelegenheid te stellen een gunstiger aanbod te doen. De rechter is bij zijn beslissing beperkt tot de vraag welk bod voor de hier vermelde betrokkenen het gunstigst is. Het belang van de gemeente bij een op de verhypothekeerde percelen rustend voorkeursrecht kan bij zijn oordeel geen rol spelen; de gemeente komt door de totstandkoming van een zodanige beslissing derhalve buitenspel te staan. Anders dan bij een openbare executoriale verkoop wordt de gemeente bij deze procedure immers niet in de gelegenheid gesteld mee te bieden. Op grond van art. 26 WvG kan de gemeente de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in de wet geregelde voorkeurspositie. Of een zodanige kennelijke strekking bestaat, behoeft niet uitsluitend uit de tekst van de overeenkomst te blijken, maar kan ook worden afgeleid uit andere feiten en omstandigheden, waaronder de inhoud en strekking van andere in de procedure bekend geworden overeenkomsten (de ‘constructie’, voor zover deze aan de rechter bekend is geworden). De overeenkomsten dienen derhalve in hun onderlinge samenhang te worden bezien. Het gaat, volgens het hof, de wetgever daarbij om rechtshandelingen die zodanig zijn opgezet dat geen vervreemding zal plaatsvinden gedurende het bestaan van het voorkeursrecht, doch wel de beschikkingsmacht en het economisch belang bij de grond in enigerlei mate worden overgedragen aan een of meer andere (rechts)personen; ook overdrachten van een deel van de beschikkingsmacht en het economisch belang staan bloot aan vernietiging. Volgens het hof behoeven de betreffende rechtshandelingen daarom niet meer zodanig te zijn opgezet dat de beschikkingsmacht en het economisch belang in zodanige mate worden overgedragen dat een resultaat wordt bereikt dat materieel op hetzelfde neerkomt als gehele of gedeeltelijke vervreemding. Het hof oordeelde dat Verkoper de percelen heeft verkocht onder beding dat de bouw van de opstallen wordt uitgevoerd door een BV die onderdeel vormde van het concern waartoe ook Verkoper behoort. Het economisch belang van het concern bij het uitvoeren van de bouw is daarmee veiliggesteld. Een verplichting om de bouw door deze bouwonderneming te laten verrichten kan het concern niet effectueren ingeval de percelen met toepassing van de WvG door de gemeente worden verworven. Op die grond acht het hof het in beginsel aannemelijk dat de koopovereenkomst ertoe strekt het voorkeursrecht van de gemeente te omzeilen. Volgens het hof bleek dat Verkoper heeft beoogd het economisch belang bij de projectontwikkeling over te dragen aan Koper die daarvoor een substantiële financiële verplichting heeft aangegaan. Daarmee is een aanmerkelijk gedeelte van het economisch belang in het kader van de overeenkomsten op Koper overgegaan. Daarbij komt dat de krediet- en hypotheekovereenkomsten in onderlinge samenhang bezien de weg voor Verkoper openen om de percelen over te dragen op een wijze waarbij de gemeente buitenspel wordt geplaatst. Bij de hypotheekovereenkomsten heeft Verkoper een substantieel gedeelte van haar beschikkingsmacht uit handen gegeven. Zij heeft het immers niet in haar macht om ervoor te zorgen dat Koper aan haar verplichtingen uit de kredietovereenkomsten voldoet; indien dat niet gebeurt, kan Bank-2 zonder instemming van Verkoper tot executoriale verkoop (openbaar of ondershands) overgaan. Alhoewel Verkoper de gronden pas hoeft aan te bieden aan de gemeente bij een voorgenomen levering, past volgens het hof de omstandigheid dat Verkoper heeft nagelaten de Gemeente te informeren over haar plannen, in het beeld dat Verkoper met de koopovereenkomst heeft beoogd het voorkeursrecht van de gemeente te omzeilen. Volgens het hof moet ook Bank-2 redelijkerwijs hebben geweten dat de door haar gesloten overeenkomsten strekten tot ontwijking van het voorkeursrecht van de gemeente. Nu Verkoper het hof geen andere aannemelijke verklaring voor het totaal van de litigieuze overeenkomsten heeft voorgelegd, is het hof van oordeel dat deze, in hun onderlinge samenhang bezien, de kennelijke strekking hebben afbreuk te doen aan de in de WvG geregelde voorkeurspositie van de gemeente, daarom is het hof het eens met de gerechtelijke vernietiging van de overeenkomsten door de rechtbank. (Hof Den Haag 8 november 2007, nr R07/895; LJN: BB7594)