Vastgoed Fiscaal & Civiel 2008/35 - Beheer en ontruimingsbeding in een hypotheekakte
Aflevering 3, gepubliceerd op 01-07-2008 geschreven door Mw. mr. drs. A. van Dijk MRE en Mr. T.S. de LangeIn bijna elke hypotheekakte staat een beheer- en ontruimingsbeding als bedoeld in art. 3:267 BW, inhoudende, kort gezegd, dat op een bepaald moment de hypotheekhouder (veelal een bank) het onderpand in beheer kan nemen en het pand ontruimd moet worden door de hypotheekgever. Toch is er recentelijk geoordeeld over de vraag hoever dat strekt. De casus was als volgt: A leent geld van B. Tot zekerheid vestigt A, hypotheekgever, een hypotheek (met bijbehorende pandrechten) ten behoeve van B, hypotheekhouder. Als onderpand geldt de woning van A en een aan A toekomend appartement(srecht) dat bewoond wordt door de moeder van A. A betaalt niet en B vordert van de rechter hem te machtigen die onderpanden ‘in beheer te nemen en onder zich te nemen als bedoeld in art. 3:267 BW en zoals weergegeven in de hypothecaire akten’. Dit verzoek wordt toegewezen. Vervolgens verzoek B aan A en zijn moeder de panden te ontruimen zodat te zijner tijd de onderpanden in onbewoonde staat kunnen worden geveild. A en zijn moeder zijn hier tegen en vorderen in kort geding een verbod tot ontruiming. Dit verzoek wordt afgewezen maar in hoger beroep oordeelt het hof anders. Het hof oordeelde: ‘Ingevolge het bepaalde in art. 3:267 BW kan de hypotheekhouder in de hypotheekakte uitdrukkelijk bedingen dat hij bevoegd is het onderpand in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in zijn verplichtingen jegens hem in ernstige mate tekort schiet en de voorzieningenrechter van de rechtbank hem machtiging verleent (beheerbeding). Eveneens kan hij in de hypotheekakte uitdrukkelijk bedingen dat hij bevoegd is het onderpand onder zich te nemen, indien zulks met het oog op de executie is vereist (ontruimingsbeding). Het gaat hier om twee van elkaar te onderscheiden bedingen en bevoegdheden. Voor de uitoefening van laatstbedoelde ontruimingsbevoegdheid is, anders dan voor de uitoefening van de rechten uit het beheerbeding, geen voorafgaande rechterlijke machtiging vereist. Nodig is slechts dat de ontruiming met het oog op de executie is vereist.’ Voor de uitoefening van de in de hypotheekakte bedongen bevoegdheid tot het ‘onder zich nemen’ is volgens het hof pas plaats zodra de hypotheekhouder voornemens is om over te gaan tot parate executieverkoop van het onderpand ex art. :268 BW en daarvan blijk heeft gegeven door aanzegging van de executie conform art. 544 e.v. Rv. Ook indien deze fase van uitwinning is ingetreden, ligt bovendien in het woord ‘vereist’ besloten dat er dringende redenen voor de hypotheekhouder aanwezig moeten zijn om de hypotheekgever diens gebruiksrecht op een eerder tijdstip te ontnemen dan waarop het normaal gesproken eindigt, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de hypotheekgever zijn eigendomsrecht verliest, dus bij de levering van het onderpand aan de koper ter uitvoering van de eenmaal verrichte executieverkoop. Daarenboven heeft het ontruimingsbeding – volgens het hof – mits uitdrukkelijk gemaakt in de hypotheekakte en als onderdeel daarvan ingeschreven in de openbare registers, naar het oordeel van het hof uitsluitend werking tussen de bij de hypotheekakte betrokken partijen, de hypotheekhouder enerzijds en de hypotheekgever (en diens rechtsopvolgers) anderzijds, en niet tegen derden, zoals huurders. Omdat ten tijde van het inroepen van het ontruimingsbeding de procedure tot executieverkoop niet was ingezet, komt aan B reeds op deze grond geen ontruimingsbevoegdheid toe. Het hof oordeelde ook dat ontruiming van de huurder uitsluitend kan worden bereikt in een geval als bedoeld in art. 3:264 BW waarbij de eigenaar ná vestiging van het hypotheekrecht én zonder toestemming van de hypotheekhouder een huurovereenkomst sluit ter zake van het bezwaarde goed. Voorts oordeelde het hof dat de machtiging die B destijds heeft verkregen van de voorzieningenrechter enkel betrekking heeft op het inroepen van het beheerbeding en geen grondslag biedt voor ontruiming op grond van het ontruimingsbeding. Het hof verbiedt B de twee woningen te ontruimen. Hof Den Bosch 11 december 2007, KGC200700939 – LJN: BC2074