Home

Gerechtshof Den Haag, 20-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:58, BK-25/70, BK-25/71 en BK-25/482

Gerechtshof Den Haag, 20-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:58, BK-25/70, BK-25/71 en BK-25/482

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20 januari 2026
Datum publicatie
9 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:58
Formele relaties
Zaaknummer
BK-25/70, BK-25/71 en BK-25/482
Relevante informatie
Verdrag Nederland – Zwitserland, Art. 1 EP EVRM, Art. 14 EVRM, Art. 5.20 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Aanslagen IB/PVV 2017-2019. Aftrek buitengewone lasten op grond van oude afspraak? Omkering en verzwaring van de bewijslast. Box 3. Behoren diverse Nederlandse en Zwitserse rekeningen tot de rendementsgrondslag? Bepaling van het werkelijke rendement. Belastingrente.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/70, BK-25/71 en BK-25/482

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 23 december 2024, nrs. SGR 23/3377 en SGR 23/3380, en van 13 mei 2025, nr. SGR 24/5177.

Procesverloop

SGR 23/3380 / BK-25/71 (jaar 2017)

1.1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.254 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.270 (de aanslag 2017). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 894 belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 369.

1.1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2023 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag 2017 en de daarbij gegeven beschikkingen afgewezen.

SGR 23/3377 / BK-25/70 (jaar 2018)

1.2.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een ambtshalve aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.755 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.720 (de aanslag 2018). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 1.967 belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 369.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 april 2023 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk toegewezen en heeft hij de aanslag 2018 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.762 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.983.

SGR 23/3380 en 3377 / BK-25/71 en 70 (jaren 2017 en 2018)

1.3.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar van 7 april 2023 en 26 april 2023 beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50.

1.3.2.

Tijdens de beroepsfase heeft de Inspecteur de aanslagen 2017 en 2018 (nogmaals) verminderd. Bij verminderingsbeschikking van 19 juli 2023 heeft hij de aanslag 2017 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.254 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.573. Bij verminderingsbeschikking van 19 mei 2023 heeft hij de aanslag 2018 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.762 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.918.

1.3.3.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 23 december 2024 beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond:

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- handhaaft de verminderingsbeschikkingen 2017 en 2018;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op

bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van

€ 2.250;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van

€ 250;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Met dagtekening 15 februari 2025, 17 februari 2025, 18 februari 2025, nogmaals 18 februari 2025, 19 februari 2025, nogmaals 19 februari 2025, 22 februari 2025, nogmaals 22 februari 2025, 24 februari 2025, nogmaals 24 februari 2025, wederom 24 februari 2025, 12 maart 2025, nogmaals 12 maart 2025, 7 april 2025, nogmaals 7 april 2025, 8 april 2025, nogmaals 8 april 2025, 9 april 2025, nogmaals 9 april 2025, 22 oktober 2025, 27 oktober 2025, 28 oktober 2025, nogmaals 28 oktober 2025, wederom 28 oktober 2025, 29 oktober 2025, 30 oktober 2025, 1 november 2025 en nogmaals 1 november 2025 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend.

SGR 24/5177 / BK-25/482 (jaar 2019)

1.6.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.328 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.598 (de aanslag 2019). Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur aan belanghebbende € 2.678 belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 385.

1.6.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 24 april 2024 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag 2019 en de daarbij gegeven beschikkingen afgewezen.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 24 april 2024 beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 13 mei 2025 het beroep ongegrond verklaard.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143.

1.9.

De Inspecteur heeft met dagtekening 24 september 2025 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft met dagtekening 30 oktober 2025, 31 oktober 2025, 1 november 2025 en nogmaals 1 november 2025 nadere stukken ingediend.

Alle zaken

1.9.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Bij brief van 18 januari 1988 heeft belanghebbende het volgende geschreven aan de Inspecteur:

“Door de aanhoudende problemen m.b.t. de belastingaanslagen en ook de problemen die o.a. daaruit voortkomen met mijn cliënten en voormalige cliënten. Ook de dreigende beslagleggingen en de al plaatsgevonden beslagleggingen waren wij genoodzaakt om onze huurwoning in [woonplaats 1] te verlaten. Wij wonen nu in een (bijna) onbewoonbaar verklaarde woning in [woonplaats 2] .

Wij beraden ons op dit moment over het aanhouden van onze bankrekening in Nederland en zullen die waarschijnlijk in Zwitserland onderbrengen. Dit wat betrekking heeft op ons administratiekantoor.

Het salaris van onze werkgever wordt overgeboekt op de bankrekening van mijn echtgenote.”

2.2.

Bij brief van 6 november 1993 heeft belanghebbende het volgende geschreven aan de Inspecteur:

“Zoals afgesproken proberen wij binnen afzienbare tijd de diverse aanslagen over de afgelopen jaren af te wikkelen.

Zoals reeds aan U medegedeeld zullen wij ook de aanslagen die eventueel verjaard zijn (door de lange afhandeling) nog voldoen.

Wij spraken ook af dat de bijtelling van de omzet door ons wordt geaccepteerd, ondanks het feit dat deze omzet niet door ons is ontvangen.

Wellicht kan en mag dit in een later stadium nog gecorrigeerd worden.

Met betrekking tot de diverse claims (van cliënten) hebben wij afgesproken dit niet via de verlies-en-winst rekening te laten lopen maar een vermogensboeking te doen. Dit dan via de balans te laten lopen tegenover de vordering op [Bank 1] (Zwitserland).

Mochten er claims uitbetaald worden dan wordt opnieuw overlegd hoe dit geboekt kan worden.

Overigens moet ons wel van het hart dat van al die bijtellingen van de omzet (enorme bedragen) bijna niets is overgebleven, met uitzondering van het hiervoor genoemde. Er is/was een enorme belastingschuld hetgeen zijn weerslag heeft op ons gezinsleven.”

2.3.

Op 4 februari 2016 heeft de Belastingdienst via de Central Liaison Office een zogeheten groepsverzoek als bedoeld in artikel 26 van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland gedaan met betrekking tot de bank [Bank 2] . Naar aanleiding van dit groepsverzoek heeft de Inspecteur op 22 december 2016 informatie over belanghebbende ontvangen van de Zwitserse autoriteiten. Daarin wordt een rekening met rekeningnummer […] op naam van belanghebbende (de Zwitserse rekening) vermeld met saldi ter hoogte van CHF 351.855,30 (1 februari 2013), CHF 345.039,85 (1 januari 2014) en CHF 334.969,60 (31 december 2014). Ook de geboortedatum en een (oud) adres van belanghebbende behoren tot deze informatie.

2.4.

Tijdens een verhoor door de FIOD op 22 juni 2017 heeft belanghebbende het volgende verklaard:

“Ik heb in 1988 een depot gehad bij bank [Bank 1] in [woonplaats 3] Zwitserland. lk ben getrouwd in augustus 1985. In oktober/november 1985 kreeg ik controle van de Belastingdienst bij mijn administratiekantoor. Daaruit vloeide enorme aanslagen over inkomens die in mijn ogen nergens op sloegen. Al die aanslagen zijn via het gerechtshof geweest en zijn allemaal gewoon teruggebracht. Dit heeft geduurd tot 1997. Op een gegeven moment stond er fl. 1.500.000 open aan belastingschuld. Ik werkte toen in loondienst en mijn plan was om een administratiekantoor op te bouwen. Ik had al wat klanten en ik besteedde dit werk ook uit. Dit is uit de hand gelopen. Wij, mijn vrouw en ik, konden helemaal niets meer, vanwege de aanslagen die er lagen. Ik heb toen mijn geld in veiligheid gebracht en dit heb ik naar Zwitserland gebracht. lk denk dat ik in totaal een bedrag van

fl. 300.000,- in de periode van 1988 tot 1992/1993 contant naar Zwitserland laten brengen. Mijn vader heeft dit gedaan via een tussenpersoon. lk moest mijn geld wel veiligstellen, want als ik dit op een Nederlandse bankrekening zou zetten dan werd er waarschijnlijk beslag op gelegd door de Belastingdienst, of door klanten van mij. Die hadden ook controle gehad van de Belastingdienst en stelden mijn aansprakelijk. Dit geld dat naar Zwitserland is gegaan kwam uit mijn bezittingen, privé en uit de onderneming die aan het opstarten was.

lk denk dat het geld dat ik toen in [Bank 1] had gestald nu het geld is dat naar voren is gekomen bij [Bank 2] . Vanaf 1997 heb ik nooit meer iets gehoord van [Bank 1] . Wij zijn daar achteraan gegaan, zelfs bij de ambassade, maar ik werd waarschijnlijk als crimineel gezien, want ze konden niets vo or mij doen. Wij zijn daar ook wel laks verder in geweest. lk heb nooit of te nimmer iets van [Bank 2] ontvangen. Ik wist dus ook niet dat ik daar geld had staan.

Ik had het erg druk met mijn werkzaamheden toentertijd bij [Bedrijf] , nu [Bedrijf] , en ben ik er verder niet achteraan gegaan. lk zat er toen helemaal doorheen en ik dacht dat ik mijn geld kwijt was. lk dacht dat ik door bank [Bank 1] belazerd was, mede omdat ik ook niets meer kreeg van hen. Uit mijn hoofd gezegd heb ik in 1996 en in 1997 sporadisch bankafschriften ontvangen en daarna niets meer.

Ik heb de rekening in Zwitserland zelf geopend. Ik heb daar stukken van thuisgestuurd gekregen. Het was geen nummerrekening, maar gewoon op naam. Ik ben zelf nooit bij de bank [Bank 1] in Zwitserland geweest. Ik heb toen voor een bank in Zwitserland gekozen omdat het in die tijd min of meer gebruikelijk was om geld in het buitenland te stallen. Ik heb dit gedaan zodat er geen beslag op gelegd kon worden en dan met name door mijn klanten. Ik ben zelfs door hen bedreigd. Ik heb thuis nog gegevens van die rekening bij de [Bank 1] bank in Zwitserland en die kunt u zo van mij in kopie krijgen. Verder heb ik geen rekeningen meer in het buitenland.

(…)

Ik heb nooit een rekening bij [Bank 2] geopend. Ik denk dat het saldo van bank [Bank 1] over is gegaan naar [Bank 2] . Ik heb nooit enige informatie van [Bank 2] ontvangen. Naar aanleiding van de brief van de Belastingdienst in januari 2017 heb ik 3 brieven geschreven naar [Bank 2] in [woonplaats 4] . Ik heb nooit enig antwoord van [Bank 2] [woonplaats 4] ontvangen. Vervolgens heb ik [naam 1] van [Belastingadviseurs] uit [woonplaats 1] in maart 2017 ingeschakeld. [naam 1] is er voor mij achteraan gegaan en het schijnt dat hij nu informatie uit Zwitserland heeft ontvangen van [Bank 2] . Afgelopen maandag, 19 juni 2017 heeft hij mij daar telefonisch van op de hoogte gesteld. Ik weet niet welke informatie hij precies heeft gekregen. Ik weet ook geen saldo, dat heeft hij mij niet telefonisch medegedeeld. Ik ga binnenkort een afspraak met hem maken.

Ik heb mij nooit tot [Bank 2] Zwitserland gericht omdat ik geen adres had. Dat had ik juist gevraagd in mijn brieven aan [Bank 2] [woonplaats 4] .

(…)

Ik heb nooit een brief van [Bank 2] gehad. Ik ben één keer telefonisch gebeld, eind 2015 of begin 2016, door een mevrouw die zich niet voorstelde. Zij sprak waarschijnlijk Engels, maar mijn Engels is niet zo goed. Zij vertelde mij dat zij mij een brief had gestuurd en ik zei haar dat ik nooit een brief had ontvangen en zei haar deze brief maar op te sturen, ik heb nooit meer iets gehoord, niet telefonisch en niet via de post.

Ik begreep uit het verhaal van die mevrouw die mij belde dat het om een banksaldo ging, maar ze noemde mij geen bedragen, helemaal niets. Ik vroeg haar of dit over [Bank 1] ging, maar zij begreep dit niet. Voor mij kon het dan alleen maar over een banksaldo bij [Bank 1] gaan. Het was een heel kort gesprek.

Vraag verbalisanten: Voor ons is het ongeloofwaardig dat er ruim fl. 300.000 in Zwitserland is gestald en dat u daar niet achteraan bent gegaan. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord: Ik ben er achter aangegaan, maar niet fel genoeg. Ik had er meer achteraan moeten gegaan. Dat zegt mijn adviseur meneer [naam 1] ook.

(…)

Vraag verbalisanten: Volgens de gegevens van de Belastingdienst staat er op uw rekening bij

[Bank 2] een saldo van CHF 334.969,60. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord: Zo veel? Ik wist dat niet. Als dit afkomstig is van [Bank 1] , dan heeft mijn geld wel heel erg gerendeerd. Ik zie op die verklaring staan dat ik woon op [adres 1] te [woonplaats 2] . Daar woon ik al niet meer sinds 2001. Het huis bestaat nog wel en is naast ons. Ik woonde volgens mij wel op dat adres [adres 1] toen ik de rekening opende bij [Bank 1] in Zwitserland. Als er post zou zijn gestuurd op mijn naam naar [adres 1] dan is het onwaarschijnlijk dat ik dat niet gehad zou hebben.

(…)

Vraag verbalisanten: Waarom heeft u het vermogen op de rekening bij de [Bank 2] bank en/of [Bank 1] bank niet aangegeven in uw aangifte inkomstenbelasting 2009 tot en met 2014?

Antwoord: Ik geloof die uitdraaien wel die u mij laat zien. Die zullen mij niet afwijken van de gegevens die ik zelf heb. lk heb dit nooit opgegeven omdat ik dacht dat ik dit geld in Zwitserland niet meer had. lk heb nooit meer iets gehoord uit Zwitserland, ook geen saldo opgaven. En ik dacht dat ik het geld kwijt was, zoals ik u al vertelde. Ik weet niet of ik ooit melding heb gemaakt dat ik geld heb gestald in Zwitserland.”

2.5.

In een procedure over de jaren 2013-2016, waarvan de uitspraak tot de gedingstukken behoort, heeft het Hof het volgende vastgesteld. Bank [Bank 1] is vóór 2007 samengevoegd met [Bank 3] . [Bank 3] was aanvankelijk een onafhankelijke private bank maar behoorde in 2007 tot de [Bank 2 Group] . In 2007 is [Bank 4] (mede) opgericht door [Bank 2 Group] . [Bank 4] heeft de activiteiten van [Bank 3] voortgezet en werd een dochteronderneming van [Bank 2 Group] . [Bank 2 Group] is vervolgens op 2 april 2012 juridisch gefuseerd met [Bank 4] , waarbij alle activa en passiva van [Bank 4] zijn verworven en alle rechten en plichten zijn overgenomen.

2.6.

Tot het dossier behoren de volgende stukken die de Inspecteur heeft ontvangen met betrekking tot de Zwitserse rekening:

-

Een ‘Investment Report’ van [Bank 2] Private Banking per 31 december 2016 met betrekking tot een rekening met portfolio nr. S […] . Hieruit blijkt een saldo van € 270.576. Dit saldo bestaat uit een ‘current account’ ten bedrage van € 5.961 (waaraan de nummers […] en […] worden gekoppeld) en een investering in 252.255 ‘Units […] ’ met een waarde van € 264.615.

-

Een CRS-renseignement voor het jaar 2017, dat in het systeem van de Belastingdienst is gekoppeld aan het burgerservicenummer van belanghebbende. Het vermeldt saldi van respectievelijk € 262.948,09 en € 1.697,02 per 31 december 2017.

-

Een CRS-renseignement voor het jaar 2018, dat in het systeem van de Belastingdienst is gekoppeld aan het burgerservicenummer van belanghebbende. De bron van het renseignement is [Bank 2] AG. Het heeft betrekking op rekeningen met nummers […] en […] . Het renseignement vermeldt saldi van respectievelijk € 3.159,03 en € 254.688,72 per 31 december 2018 en een opbrengst van € 6.486,44 die betrekking heeft op het laatstgenoemde saldo. Het type opbrengst wordt aangeduid als CRS503.

2.7.

Belanghebbende is sinds 1981 eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] . Deze woning wordt in de onderhavige jaren verhuurd. De WOZ-waarde van deze woning is op de volgende waardepeildata als volgt vastgesteld:

-

1 januari 2016: € 274.000

-

1 januari 2017: € 276.000

-

1 januari 2018: € 314.000

-

1 januari 2019: € 331.000

Oordelen van de Rechtbank

3.1.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 december 2024 (voor zover in hoger beroep van belang) geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“14. De rechtbank stelt voorop dat de verminderingsbeschikking 2017 en de verminderingsbeschikking 2018 zijn gegeven nadat de uitspraken op bezwaar zijn gedaan en beroep is ingesteld. Reeds om die reden dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. In het navolgende zal de rechtbank beoordelen of er aanleiding bestaat voor verdere vermindering.

(…)

Box 3

16. Vast staat dat eiser de Zwitserse bankrekening in het verleden heeft geopend. Gesteld noch gebleken is dat de rekening later is opgezegd. Gelet daarop, in samenhang bezien met de bovengenoemde rapportages van [Bank 2] , ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat eiser in de onderhavige jaren beschikte over de Zwitserse bankrekening. De stelling van eiser dat hij is opgelicht is op geen enkele wijze onderbouwd. Eiser heeft geen correspondentie met [Bank 2] of enige Zwitserse autoriteit overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat eiser niet langer over de Zwitserse bankrekening beschikt. Hij heeft ter zitting aangevoerd dat hij in Zwitserland een advocaat in de arm heeft genomen, maar ook daarvan is geen bewijs geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is het saldo van de Zwitserse bankrekening daarom terecht tot de rendementsgrondslag sparen en beleggen gerekend.

17. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 6 juni 2024[1] geoordeeld dat ook toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kan leiden tot schending van de door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM gewaarborgde rechten. Een dergelijke schending doet zich voor indien en voor zover de belastingplichtige geconfronteerd wordt met een heffing uit sparen en beleggen die hoger is dan het werkelijke rendement.

18. In genoemde arresten van 6 juni 2024 zijn regels geformuleerd omtrent de vaststelling van de hoogte van het werkelijke rendement.[2] Bij de vaststelling van het werkelijke rendement:

- dient het nominale rendement op het gehele vermogen van de belastingplichtige in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen;

- moet gekeken worden naar het saldo van positieve en negatieve resultaten van de verschillende vermogensbestanddelen in het desbetreffende jaar. Er wordt dus geen rekening gehouden met positieve of negatieve waardeveranderingen in andere jaren;

- wordt niet alleen rekening gehouden met de voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd;

- kan bij bezittingen geen rekening worden gehouden met kosten;

- kan bij schulden wel rekening worden gehouden met de daarop betrekking hebbende renten.

19. Het is aan eiser om aannemelijk te maken in hoeverre hij geconfronteerd wordt met een heffing uit sparen en beleggen die hoger is dan het werkelijke rendement. Indien hij daarin slaagt dient de betreffende aanslag zover te worden verminderd dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven over het werkelijke rendement.[3]

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijke rendement lager is dan de door verweerder na toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 gehanteerde percentages van 1,8 voor 2017 en 1,71 voor 2018. Voor 2017 heeft hij in het geheel geen onderbouwing gegeven. Voor 2018 heeft eiser wel bedragen genoemd maar deze zijn niet met stukken onderbouwd. Verder heeft eiser voor beide jaren ten onrechte de Zwitserse bankrekening buiten aanmerking gelaten.

21. Op basis van de stukken van het geding constateert de rechtbank dat verweerder voor het jaar 2017 is uitgegaan van een forfaitair rendementspercentage van 1,8; van een rendementsgrondslag van eiser en zijn partner van € 783.607, en dat van deze rendementsgrondslag € 698.542 is toegerekend aan eiser en € 85.065 aan zijn partner. Het voordeel uit sparen en beleggen voor 2017 is blijkens de stukken berekenend op € 12.573 voor eiser en op € 1.531 voor zijn partner. Het heffingvrij vermogen van eiser en zijn partner bedraagt in totaal € 50.000. Verweerder heeft in de uitspraak op het bezwaar voor het jaar 2017 opgemerkt dat het heffingvrije vermogen is verdisconteerd in de berekening van de verschuldigde belasting. Dit zou betekenen dat aan eiser en zijn partner in totaal een grondslag uit sparen en beleggen is toegerekend van € 783.607 – € 50.000 = € 733.607 en dat is uitgegaan van een voordeel uit sparen en beleggen van in totaal 1,8% x € 733.607 = € 13.204. Nu eiser dit niet heeft weersproken, gaat de rechtbank ervan uit dat bij de berekeningen voor het jaar 2017 rekening is gehouden met het heffingvrije vermogen van eiser en zijn partner.

22. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat, met inachtneming van de verminderingsbeschikkingen, in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

23. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om het belastbare inkomen lager vast te stellen dan bij de verminderingsbeschikkingen 2017 en 2018 reeds is gebeurd. Gelet op hetgeen is overwogen in 14, zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren.

24. Eiser heeft zich beklaagd over de duur van de procedure. De rechtbank heeft dat opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. Voor de beoordeling van het verzoek is sprake van samenhangende zaken omdat de zaken gezamenlijk zijn behandeld en zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.[4] Ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.[5]

25. Het eerste bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 30 juli 2020, de uitspraken op bezwaar zijn van 7 april 2023 respectievelijk 26 april 2023 en de uitspraak van de rechtbank is gedaan op 23 december 2024. Derhalve is tussen het bezwaar en de rechtbankuitspraak een periode van 4 jaar en bijna 5 maanden verstreken. Aan eiser komt daarom een schadevergoeding toe van € 2.500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). De overschrijding ziet voor 2 jaar en 2 maanden op de bezwaarfase en voor 3 maanden op de beroepsfase, zodat van de vergoeding € 2.250 voor rekening van verweerder komt en € 250 voor rekening van de Staat.

(…)

[1] ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.

[2] Zie Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, onderdeel 5.4.

[3] Zie Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, onderdeel 5.5.

[4] Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700.

[5] Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.”

3.2.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 13 mei 2025 (voor zover in hoger beroep van belang) geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Box 1

15. Een redelijke bewijslastverdeling brengt met zich dat eiser aannemelijk moet maken dat sprake is van zakelijke, aftrekbare buitengewone lasten.[2] Eiser is daar niet in geslaagd. Hij heeft de door hem gestelde buitengewone lasten van € 60.000 op geen enkele wijze onderbouwd. De blote stelling dat een oude afspraak uit de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw moet worden gerespecteerd, volstaat niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het belastbare inkomen uit werk en woning daarom niet te hoog vastgesteld.

Box 3 (rendementsgrondslag)

16. Vaststaat dat eiser in het verleden een bankrekening in Zwitserland heeft geopend. Gesteld noch gebleken is dat de rekening later is opgezegd. Gelet daarop, in samenhang met het onder 10 genoemde renseignement, ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat eiser in 2019 over de Zwitserse bankrekening beschikte. Eiser heeft geen correspondentie met [Bank 2] of enige Zwitserse autoriteit overgelegd waaruit volgt dat hij niet langer over deze rekening beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is het saldo van de Zwitserse bankrekening terecht tot de rendementsgrondslag gerekend. De stelling van eiser dat hij geen enkel bericht vanuit Zwitserland ontvangt over de Zwitserse bankrekening, leidt niet tot een ander oordeel.

Box 3 (vaststellen hoogte werkelijke rendement)

17. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 6 juni 2024[3] geoordeeld dat ook toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 kan leiden tot schending van de door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM gewaarborgde rechten. Een dergelijke schending doet zich voor indien en voor zover de belastingplichtige geconfronteerd wordt met een heffing uit sparen en beleggen die hoger is dan het werkelijke rendement.

18. In genoemde arresten van 6 juni 2024 zijn regels geformuleerd omtrent de vaststelling van de hoogte van het werkelijke rendement. Bij de vaststelling van het werkelijke rendement:

-

dient het nominale rendement op het gehele vermogen van de belastingplichtige in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingvrije vermogen;

-

moet worden gekeken naar het saldo van positieve en negatieve resultaten van de verschillende vermogensbestanddelen in het desbetreffende jaar. Er wordt dus geen rekening gehouden met positieve of negatieve waardeveranderingen in andere jaren;

-

wordt niet alleen rekening gehouden met de voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd;

-

kan bij bezittingen geen rekening worden gehouden met kosten, en

-

kan bij schulden wel rekening worden gehouden met de daarop betrekking hebbende renten.

19. Het is aan eiser om aannemelijk te maken in hoeverre hij wordt geconfronteerd met een heffing uit sparen en beleggen die hoger is dan het werkelijke rendement. Indien hij daarin slaagt dient de betreffende aanslag zover te worden verminderd dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven over het werkelijke rendement. Eiser heeft echter slechts een opsomming van cijfers gegeven zonder deze nader te onderbouwen.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarom niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijke rendement lager is dan het door verweerder na toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 berekende rendement.

Belastingrente

21. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

(…)

Immateriële schadevergoeding

23. Eiser heeft zich beklaagd over de duur van de procedure. De rechtbank heeft dat opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. Ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.[4]

24. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 19 december 2023 en de uitspraak van de rechtbank is gedaan op 13 mei 2025. Van een overschrijding van de redelijke termijn is aldus geen sprake. Aan eiser komt daarom geen schadevergoeding toe.

Slotsom

25. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[2] Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:916.

[3] Hoge Raad, 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704.

[4] Hoge Raad, 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing