Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-07-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1853, 23/920 tot en met 23/922
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-07-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1853, 23/920 tot en met 23/922
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 2 juli 2025
- Datum publicatie
- 14 augustus 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:4125, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/920 tot en met 23/922
Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. De inspecteur heeft aan de in Duitsland wonende belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2019 opgelegd, omdat belanghebbende volgens de inspecteur geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Belanghebbende voldoet niet aan het inkomensvereiste van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 en hij heeft daardoor geen recht op zorgaftrek en aftrek van de eigen woning alsmede heffingskortingen. Het hof vernietigt deze navorderingsaanslagen, omdat er geen sprake is van een nieuw feit. Uit de aanslag inkomstenbelasting 2015 en een hoorverslag uit 2002 had de inspecteur moeten afleiden dat belanghebbende een – in ieder geval gedeeltelijk - publiekrechtelijk opgebouwd pensioen genoot en de AOW-uitkering daardoor op basis van het Verdrag in Duitsland belastbaar is. Het hof verklaart het hoger beroep daarom gegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/920 tot en met 23/922
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummers BRE 22/2681 tot en met 22/2683, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft voor de jaren 2017, 2018 en 2019 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (hierna: IB) opgelegd. Tevens heeft de inspecteur bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/895, 23/911, 23/923, 23/926 en 23/928 tot en met 23/930. De uitspraak in de zaak met het nummer 23/923 zal op een later tijdstip worden gedaan.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.
De inspecteur heeft na de zitting een nader stuk met bijlage ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende. Het hof heeft daarmee het onderzoek heropend. Belanghebbende heeft op het nader stuk gereageerd. Deze reactie is doorgestuurd naar de inspecteur.
Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende, geboren op [datum 1] 1944, heeft de Nederlandse nationaliteit en is gehuwd in gemeenschap van goederen met [echtgenote] (hierna: de echtgenote), geboren op [datum 2] 1945. Het echtpaar woont sinds december 1997 in Duitsland in een eigen woning.
De woning is een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 en is gezamenlijk eigendom van het echtpaar. Ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is dat naar Nederlands fiscaal recht voor belanghebbende en zijn echtgenote samen het negatieve inkomen uit eigen woning in de onderhavige jaren 2017 t/m 2019 respectievelijk € 7.292, € 5.122 en € 8.053 is, en de specifieke zorgkosten respectievelijk € 2.871, € 4.724 en € 5.759 zijn.
Belanghebbende ontving in de onderhavige jaren vanuit Nederland een AOW-uitkering en een ouderdomspensioen van het [Pensioenfonds] :
|
AOW-uitkering |
[Pensioenfonds] -pensioen |
Totaal |
|
|
2017 |
€ 8.968 |
€ 36.984 |
€ 45.952 |
|
2018 |
€ 9.102 |
€ 36.984 |
€ 46.086 |
|
2019 |
€ 9.401 |
€ 36.984 |
€ 46.385 |
Uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Berlijn, 12-04-2012, tekst 2019 (hierna: het Verdrag) volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering1 en Nederland over het [Pensioenfonds] -pensioen2 belasting mag heffen.
Belanghebbende ontving in de onderhavige jaren 2017 t/m 2019 een Duitse pensioenuitkering van respectievelijk € 22, € 22 en € 23.
De echtgenote ontving in de onderhavige jaren 2017 t/m 2019 vanuit Nederland een AOW-uitkering van respectievelijk € 9.376, € 9.515 en € 9.829. Uit het Verdrag volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering3 mag heffen.
Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren 2017 t/m 2019 aangifte IB gedaan. Hierin heeft hij de AOW-uitkeringen en het [Pensioenfonds] -pensioen als in Nederland belastbaar aangegeven en vermeld samen met zijn echtgenote kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te zijn en te voldoen aan de voorwaarden voor uitbetaling van heffingskortingen. De aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning en specifieke zorgkosten in de onderhavige jaren is in de primitieve aanslagen aan belanghebbende toegedeeld.
Onder dagtekening van respectievelijk 10 september 2019, 15 juli 2021 en 24 december 2021 zijn de primitieve aanslagen IB 2017, 2018 en 2019 geautomatiseerd vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangiften. Belanghebbende is als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt en de aftrek voor de eigen woning, de zorgkosten en de heffingskortingen zijn in aanmerking genomen.
Bij brief van 20 januari 2022 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld voor 2017, 2018 en 2019 navorderingsaanslagen IB op te leggen omdat belanghebbende als niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt met als gevolg dat hij geen recht heeft op de heffingskortingen en aftrek voor eigen woning en specifieke zorgkosten.
Onder dagtekening van 5 februari 2022 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB 2017, 2018 en 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.984 en belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangemerkt (en dus niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige).
Belanghebbende heeft in Duitsland over 2017 tot en met 2019 nihilaanslagen Einkommensteuer (inkomstenbelasting) ontvangen.
De inspecteur heeft na de zitting bij het hof een verslag van een hoorzitting met belanghebbende over de aanslag IB/PVV 1999 overgelegd. Dit verslag dateert van 29 januari 2002. In dit verslag staat – voor zover van belang – het volgende:
“De [belanghebbende] schetst een beeld van zijn werkzaamheden als luchtmachtofficier bij [werkgever] , de laatste jaren ten behoeve van het [team] .
Per september 1998 heeft hij zijn actieve loopbaan bij [werkgever] beëindigd met een prepensioen, per november 1999 gevolgd door het functioneel leeftijdsontslag.”
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Zijn de navorderingsaanslagen 2017 tot en met 2019 terecht aan belanghebbende opgelegd?
II. Kan belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt?
III. Zijn de navorderingsaanslagen over de jaren 2017 tot en met 2019 tot de juiste bedragen opgelegd?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de navorderingsaanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.