Vernietiging van utb brengt niet mee dat daaraan ten grondslag liggende douaneschuld is vernietigd

Vernietiging van utb brengt niet mee dat daaraan ten grondslag liggende douaneschuld is vernietigd

Gegevens

Nummer
2025/1960
Publicatiedatum
12 december 2025
Auteur
Redactie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1794
Rubriek
Douane
Relevante informatie

De inspecteur heeft in september 2003 uitnodigingen tot betaling (utb) uitgereikt voor het onttrekken van partijen knoflook aan het douanetoezicht. De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2077, NTFR 2016/2382, de utb’s vernietigd, omdat het verdedigingsbeginsel was geschonden. Vervolgens heeft de inspecteur op 17 november 2016 aan belanghebbende zijn voornemen bekend gemaakt om nieuwe utb’s uit te reiken. Nadat belanghebbende op dit voornemen heeft gereageerd, heeft de inspecteur op 2 oktober 2017 de utb’s uitgereikt. Belanghebbende heeft daartegen rechtsmiddelen aangewend. Hof Amsterdam (16 augustus 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2726) heeft de utb’s in stand gelaten. Volgens het hof heeft de vernietiging van utb’s niet meegebracht dat ook de daaraan ten grondslag liggende douaneschuld is vernietigd. De inspecteur was daarom bevoegd de douaneschuld opnieuw te innen. Het rechtszekerheidsbeginsel is niet geschonden. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, kent de Hoge Raad een vergoeding voor immateriële schade toe. Deze vergoeding wordt gematigd (van € 1.500 naar € 750) omdat twee samenhangende zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.

Deze uitspraak ziet ook op HR 12 december 2025, nr. 22/034388, ECLI:NL:HR:2025:1795.