FTV 2003, afl. 2 - Het certificeren van aanmerkelijkbelangaandelen in de Wet inkomstenbelasting 2001
Aflevering 2, gepubliceerd op 01-02-2003 geschreven door Dr. J.W.J. de KortHet certificeren van aandelen komt er in essentie op neer dat de aandeelhouder onder het voorbehoud van het economisch belang zijn aandelen inbrengt in een administratiekantoor (meestal een vennootschap of stichting) en in ruil daarvoor certificaten ontvangt. Het administratiekantoor oefent vervolgens het aan de aandelen verbonden stemrecht uit op een manier die mede de belangen van de aandeelhouders zo goed mogelijk behartigt. De certificaathouder verkrijgt of behoudt het recht op de voordelen uit de aandelen. De certificering leidt er der- halve toe dat de aan de aandelen verbonden macht (zeggenschapsrechten) wordt gescheiden van het aan de aandelen verbonden belang (dividendopbrengsten en vermogenswinsten). In de wettelijke regels met betrekking tot het aanmerkelijk belang (hoofdstuk 4 Wet IB 2001), wordt wel verwezen naar aandelen, koopopties, winstbewijzen, stemrechten (art. 4.6 Wet IB 2001) en genotsrechten (art. 4.3 Wet IB 2001), maar niet naar certificaten. Toch roept het certificeren van aandelen een aantal interessante vragen op met betrek- king tot de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling, juist omdat bij deze figuur het onderscheid tussen het aan de aandelen verbonden belang en de macht in het middelpunt van de belangstelling staat. Met name speelt hierbij de vraag wie als aandeelhouder in de zin van de aanmerkelijkbelangregeling moet worden aangemerkt: de certificaathouder of het administratiekantoor. Voorts kan worden afgevraagd of de certificering moet worden aangemerkt als een vervreemding van de aandelen. In deze bijdrage zal op deze vragen worden ingegaan, waarbij als uitgangspunt zal worden gehanteerd dat aan de kwantitatieve aanmerkelijkbelangcriteria reeds is voldaan.