FTV 2003, afl. 3 - Defiscalisering van artikel 5.4 Wet IB 2001 is te beperkt
Aflevering 3, gepubliceerd op 01-03-2003 geschreven door Mw. mr. M.J. HoogeveenMet ingang van 1 januari 2003 is het nieuwe versterferfrecht in werking getreden. Onder het nieuwe erfrecht erven de kinderen en de langstlevende echtgenoot nog steeds in gelijke delen. De grootste verandering is dat de verdeling van de nalatenschap tussen de erfgenamen van rechtswege is geregeld. De langstlevende echtgenoot verkrijgt alle goederen en alle schulden uit de nalatenschap; een levering is niet vereist. De kinderen krijgen een onderbedelingsvordering ter grootte van hun erfdeel op de langstlevende echtgenoot. Deze vordering is in beginsel alleen rentedragend indien en voorzover de wettelijke rente hoger is dan 6%. Bovendien is de vordering in beginsel pas opeisbaar bij overlijden of faillissement van de echtgenoot. De wetgever heeft ervoor gekozen om de inkomstenbelastingheffing ten aanzien van deze vorderingen en schulden niet te bemoeilijken. De schulden en vorderingen die krachtens de wettelijke verdeling ontstaan, worden voor de inkomstenbelasting dan ook genegeerd. Hierdoor hoeft de langstlevende de schuld niet pro rata te verdelen over de bezittingen die zijn verkregen. Bij het kind behoort de vordering niet tot diens rendementsgrondslag van box 3. Hierdoor hoeft het kind niet jaarlijks een rendement op te geven van 4% voor een bezitting die in de regel geen, of in ieder geval niet jaarlijks, rente geeft. Bovendien vindt hierdoor de heffing plaats bij degene die de economische beschikkingsmacht heeft over de goederen. Deze beschikkingsmacht ligt vanwege de niet opeisbaarheid van de vordering en de - eventuele - rente bij de langstlevende. De zogenoemde defiscalisering is ook van toepassing op vorderingen en schulden die materieel gelijk zijn aan de vorderingen en schulden die ontstaan krachtens de wettelijke verdeling. De vereisten daarvoor staan in art. 5.4, lid 1, onderdelen a en c Wet IB 2001. Testamenten die aan de materiële omschrijving voldoen, zijn de ouderlijke boedelverdelingen met afwijkende erfdelen, afwijkend rentepercentage en/of afwijkende opeisbaarheidsgronden. Testamenten die niet voldoen, zijn de partiële ouderlijke boedelverdeling, het keuzelegaat van alle goederen tegen inbreng van de waarde, het vruchtgebruiklegaat en het vruchtgebruiktestament met beschikkings- en/of interingsbevoegdheid. Het is uitdrukkelijk de bedoeling geweest van de wetgever om deze laatste testamenten uit te sluiten van de defiscalisering. Alleen voor situaties waarin de erflater bij uiterste wilsbeschikking een verdeling heeft vastgelegd die materieel gelijk is aan de wettelijke verdeling, ligt het volgens de staatssecretaris in de rede om eenzelfde soepele (cursivering MH) behandeling toe te staan. V-N BP21/3.4, p. 1384. Ik ben van mening dat de wetgever de werking van de defiscalisering ten onrechte beperkt toepast. De defiscalisering zou naar mijn mening moeten gelden voor alle vorderingen en schulden die krachtens erfrecht ontstaan.