JBN 1995/51 - Verrassend arrest over Amsterdams verrekenbeding
Aflevering 6, gepubliceerd op 01-06-1995 geschreven door A.L.M. SoonsBespreking van HR 7 april 1995, RvdW 1995, 88 inzake een Amsterdams verrekenbeding waaraan geen vervaltermijn verbonden is. Uitdrukkelijk is afgesproken dat wanneer de jaarlijkse verrekeningen niet plaatsvonden, het vorderingsrecht daartoe bleef bestaan. De Hoge Raad stelt vast dat het een deelgenootschap betreft in de zin van art. 1:129 BW. Hij concludeert dat, nu tijdens het huwelijk deling van het overgespaarde achterwege blijft en het recht om te verdelen blijft bestaan, redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het beding met zich meebrengen dat bij het einde van het huwelijk ook de vermogensvermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar onverdeeld is gebleven, in de verrekening wordt betrokken. Willen partijen het resultaat waartoe de Hoge Raad - volgens de schrijver ten onrechte - in zijn arrest komt niet, dan zal men in de huwelijksvoorwaarden met zoveel woorden tot uitdrukking moeten brengen, dat de bepalingen uit de tweede afdeling van titel 1.8 BW die betrekking hebben op vermogensvermeerdering niet van toepassing zijn. Eerst dan is sprake van een afwijking als in art. 1:129 BW bedoeld.