JBN 1995/77 - Verjaringstermijn compensatievordering bij publiekrechtelijke vergunning
Aflevering 9, gepubliceerd op 01-09-1995 geschreven door G.J.C. LekkerkerkerGedaagde betaalt slechts één termijn van de aan een publiekrechtelijke vergunning verbonden compensatievordering. Vijf jaar na het verstrijken van de datum voor de laatste vervallende termijn legt de gemeente conservatoir beslag. Gedaagde vordert opheffing van het beslag stellende dat de aflossing van het compensatiebedrag een periodieke vordering is in de zin van art. 3:308 BW, zodat het vorderingsrecht verjaard is. Volgens de president geldt hier art. 3:306 BW dat een 20-jarige verjaringstermijn stipuleert. Volgens de Rechtbank is art. 3:308 BW van toepassing, omdat de gemeente met gedaagde overeenkwam dat hij in termijnen mocht betalen. Daardoor kreeg de rechtsvordering het karakter als bedoeld in art. 3:308 BW. Dit artikel bestrijkt immers 'alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald', ongeacht of sprake is van een verbintenis uit overeenkomst als vereist voor toepassing van art. 3:307 BW. Schrijver acht het bovendien goed verdedigbaar dat betalingsverplichtingen als van gedaagde wèl als verbintenissen uit overeenkomst worden gekwalificeerd en dat dus ook wanneer nie sprake is van termijnbetalingen in de zin van art. 3:308 BW maar van de verplichting tot betaling van een bedrag ineens, met de verjaringstermijn van vijf jaar moet worden gerekend.