JBN 1996/109 - Melkquotum, pacht en verdeling
Aflevering 12, gepubliceerd op 01-12-1996 geschreven door B.F. PrellerJ en W waren pachters van tot een gemeenschap behorende landerijen, waarin zij met anderen sedert jaren waren gerechtigd. De onverdeeldheid was ruim voor de invoering van de melkquotering ontstaan. Ook de pachtverhouding dateerde van vóór 1984. Bij de opheffing van de onverdeeldheid door toedeling van de landerijen aan J en W rees de vraag of de waarde van het melkquotum in de verdeling diende te worden betrokken. Overeenkomstig de lijn in het arrest van 20 juli 1992 van het Pachthof te Arnhem, NJ 1992, 594; JBN 1992, nrs 127 besliste het Hof Leeuwarden in casu dat redelijkheid en billijkheid meebrengen dat bij de verdeling rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat op de landerijen melkquotum rust, en wel in die zin dat J en W ten hoogste eenvierde gedeelte van de waarde van het betrokken melkquotum aan de gemeenschap dienen te vergoeden. De uitspraak maakt duidelijk dat ook in het kader van verdeling van nalatenschappen en andere gemeenschappen aandacht dient te worden besteed aan het aspect melkquotum. Bij het maken van testamentaire beschikkingen over agrarische registergoederen zal men eveneens met de aanwezigheid van melkquotum of aanspraken op de waarde daarvan rekening moeten houden.