Aflevering 21

Gepubliceerd op 21 mei 2009

NTFR 2009/1095 - Egalité

Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009 geschreven door dr. J.C.K.W. Bartel
Het optreden van staatssecretaris De Jager bij Pauw en Witteman op 20 april jl. moest publicitair succes voor de herziening van het successierecht opleveren, maar het is de vraag of dit gelukt is. Wanneer Linda de Mol het stralend heeft over de meest gehate belasting en de staatssecretaris daar niet meer tegenover stelt dan dat iedereen die wat krijgt zonder dat hij er iets voor doet daarvan een deel aan de staat moet afstaan en dat de staat de opbrengst van het successierecht nodig heeft, klinkt door dat de rechtvaardigingsgronden voor het successierecht zwak zijn.

NTFR 2009/1096 - Rapport doorlichting IV-keten naar de Tweede Kamer

Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009
De staatssecretaris van Financiën stuurt de resultaten van de externe doorlichting van de IV-keten (InformatieVoorziening-keten) van de Belastingdienst aan de Tweede Kamer. Deze doorlichting kondigde hij aan in zijn brief van 5 maart 2009 (NTFR 2009/570). Gelijktijdig stuurt hij, vanwege het verband met de organisatie van de Belastingdienst, de vierde halfjaarsrapportage Plan van aanpak Vereenvoudigingsoperatie Belastingdienst en de tweemaandsrapportage Belastingdienst over de periode van 1 januari tot en met 28 februari 2009 aan de Kamer.

NTFR 2009/1103 - Belang bij vordering via huwelijks verrekenbeding valt niet onder tbs-regeling

ECLI:NL:PHR:2009:BI3660, datum uitspraak 18-12-2009, publicatiedatum 18-12-2009
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009
Belanghebbende is getrouwd op huwelijkse voorwaarden. Tot deze voorwaarden behoort een zogenoemd Amsterdams verrekenbeding met vervalbeding. Er heeft nooit verrekening plaatsgevonden. Belanghebbendes echtgenote heeft vorderingen op diverse vennootschappen waarvan de aandelen (middellijk) voor 50% in eigendom zijn van belanghebbende. Een vordering wordt afgewaardeerd. In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van deze afwaardering onder toepassing van art. 3.92 Wet IB 2001 (de tbs-regeling). A-G Niessen gaat in zijn conclusie in op de vraag hoe de tbs-regeling zich verhoudt tot een zogenoemd Amsterdams verrekenbeding. Een verrekenbeding heeft geen zakenrechtelijke werking. Het verrekenbeding roept (slechts) een verbintenisrechtelijke verplichting tot verrekening van het onverteerd gebleven deel van het ‘netto-inkomen’ van de echtgenoten in het leven. De vermogensbestanddelen blijven goederenrechtelijk ieders eigen vermogen. Bij een verrekenbeding gaat het bovendien om verrekening van inkomen als zodanig, het richt zich met andere woorden niet op specifieke vermogensbestanddelen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat slechts degene die de vordering in civielrechtelijke zin ter beschikking stelt, dit ook doet in de zin van de terbeschikkingstellingregeling. De belanghebbende valt als economisch belanghebbende bij de tbs-vordering via het verrekenbeding derhalve niet in de terbeschikkingstellingregeling. De advocaat-generaal concludeert tot ongegrondbevinding van belanghebbendes beroep in cassatie.

NTFR 2009/1107 - Lijfrentepremieaftrek bij inbreng in bv gevolgd door uitzakken van onderneming in werkmaatschappij

ECLI:NL:HR:2010:BI3707, datum uitspraak 07-05-2010, publicatiedatum 07-05-2010
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009
Belanghebbende en X dreven een notarispraktijk in de vorm van een maatschap. Zij hebben hun aandeel in deze maatschap ruisend ingebracht in twee persoonlijke holdings. Als tegenprestatie voor deze inbreng hebben zij ieder tot het bedrag van hun stakingswinst een lijfrente bedongen bij deze vennootschappen. De persoonlijke holdings hebben gezamenlijk een werkmaatschappij opgericht waaraan zij hun onderneming hebben overgedragen. De lijfrenteverplichtingen zijn achtergebleven in de persoonlijke holdings. De inbreng van de onderneming in de werkmaatschappij heeft plaatsgevonden tegen uitreiking van aandelen alsmede crediteringen. Belanghebbende heeft de lijfrentepremie in aftrek gebracht van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning. De inspecteur heeft dit niet toegestaan. Rechtbank Breda (NTFR 2008/900) heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld. Aan de orde is de vraag of is voldaan aan het vereiste van art. 3.126, lid 1, onderdeel a, sub 2, Wet IB 2001 inhoudende dat de lijfrente moet zijn bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming aan de persoonlijke holding. A-G Niessen beantwoordt deze vraag bevestigend. De Hoge Raad (NTFR 2003/1530) heeft beslist dat onder een overdracht in de zin van art. 45, lid 5, onderdeel a, sub 2, Wet IB 1964 niet dient te worden begrepen de overdracht van een onderneming onmiddellijk gevolgd door een tevoren overeengekomen overdracht aan een derde. Aangezien met de invoering van art. 3.126, lid 1, onderdeel a, sub 2, Wet IB 2001 geen wijzigingen ten opzichte van art. 45, lid 5, onderdeel a, sub 2, Wet IB 1964 zijn beoogd, is dit arrest eveneens van toepassing onder de Wet IB 2001. Nu in het onderhavige geval de gerechtigdheid tot het vermogen van de onderneming ongewijzigd blijft, zowel voor wat betreft de zeggenschap daarover als ten aanzien van de beschikbaarheid van de resultaten voor de dekking van de lijfrenteverplichting, is volgens de advocaat-generaal geen sprake van overdracht van de onderneming aan een ‘derde’ als bedoeld in het zojuist genoemde arrest.

NTFR 2009/1113 - Geen grove schuld bij bijstand door deskundige adviseur

ECLI:NL:HR:2009:BI3758, datum uitspraak 15-05-2009, publicatiedatum 15-05-2009
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer
Aan belanghebbende zijn, vanwege een onjuiste toepassing van de afdrachtverminderingen, een naheffingsaanslag LB en een vergrijpboete opgelegd. In geschil is of terecht een boete is opgelegd wegens grove schuld. Volgens Hof Arnhem mag van belanghebbende, die tamelijk omvangrijk gebruikmaakt van de regeling afdrachtverminderingen, worden verwacht dat zij zo goed als mogelijk op de juiste uitvoering van de regeling toeziet. Volgens het hof kan belanghebbende derhalve grove schuld worden verweten. De Hoge Raad casseert dit oordeel onder verwijzing naar zijn arrest van 13 februari 2009, NTFR 2009/421. Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden, is er geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. Dit wordt niet anders door het enkele feit dat hij – al dan niet op grote schaal – gebruikmaakt van de desbetreffende regeling.

NTFR 2009/1114 - Geen afstand van recht om te worden gehoord indien reactie uitblijft

ECLI:NL:HR:2009:BI3751, datum uitspraak 15-05-2009, publicatiedatum 15-05-2009
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009 met annotatie van mr. P.T. van Arnhem
De inspecteur biedt in februari 2004 de gemachtigde van belanghebbende de gelegenheid zijn bezwaren toe te lichten in een hoorgesprek. In een fax reageert de gemachtigde daarop met de mededeling dat zijn cliënt inderdaad wenst te worden gehoord, maar dat de afspraak eerst in mei 2004 kan worden gemaakt omdat zijn cliënt in het buitenland verblijft. In november 2005 stuurt de inspecteur een brief aan de gemachtigde met het bericht dat binnen 14 dagen een afspraak moet worden gemaakt, en als dit niet gebeurt de inspecteur zal aannemen dat zijn cliënt geen behoefte heeft aan een hoorgesprek. De inspecteur ontvangt geen reactie en doet uitspraak op bezwaar zonder belanghebbende te horen.

NTFR 2009/1115 - Hoge Raad onderzoekt ambtshalve of in cassatieprocedure redelijke termijn is overschreden

ECLI:NL:HR:2009:BI3778, datum uitspraak 15-05-2009, publicatiedatum 15-05-2009
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009 met annotatie van mr. T.A.D. van Wordragen
Belanghebbende heeft inzake een boetebeschikking op 10 maart 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft pas op 15 mei 2009 in deze zaak arrest gewezen. De redelijke termijn van art. 6 EVRM is hierdoor met meer dan twaalf maanden overschreden.

NTFR 2009/1120 - Antwoord op Kamervragen over kinderopvangaanbieders

Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beantwoordt, mede namens de staatssecretaris van Financiën, vragen over misstanden bij kinderopvangaanbieders. Het gaat om een situatie waarin een kinderopvangorganisatie eenzijdig uitgaat van toestemming van de klant om gegevens op te vragen bij de Belastingdienst. Vanwege het gebrek aan toestemming van de klant is dit niet in overeenstemming met wet- en regelgeving. Recentelijk is gebleken dat deze kinderopvanginstelling de wet- en regelgeving nog steeds niet juist interpreteert. Daarom zal er medio april 2009 weer een gesprek plaatsvinden om de kinderopvanginstelling op de juiste interpretatie van de wet- en regelgeving te wijzen. Bij de Belastingdienst Toeslagen zijn overigens geen gevallen bekend waarin kindplaatsen vervallen als ouders aangeven bezwaar te hebben tegen het opvragen van klantgegevens bij de Belastingdienst. Ook zijn geen andere gevallen bekend waarin een kinderopvangorganisatie bij het uitblijven van bezwaar uit gaat van toestemming voor het opvragen van klantgegevens bij de Belastingdienst.

NTFR 2009/1122 - VNO-NCW commentaar op wetsvoorstel 'Implementatie richtlijnen BTW-pakket'

Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009
Op 12 februari 2008 stelde de Raad van de Europese Unie twee btw-richtlijnen vast: één met betrekking tot de plaats van dienst en één inzake de teruggaaf van btw aan ondernemers die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die waarvan zij btw hebben 'opgelopen'. Deze richtlijnen dienen geïmplementeerd te worden in de Wet OB 1968. In verband met de invoering van de nieuwe regels is er eind 2008 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. VNO-NCW heeft onlangs een brief aan de vaste commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer gestuurd. In deze brief worden een aantal opmerkingen van algemene aard gemaakt. Daarnaast zijn per (voorgesteld) wetsartikel enkele kritische vragen en opmerkingen geplaatst.

NTFR 2009/1128 - Geen wettelijke grondslag voor naheffingsaanslag MRB en verzuimboete

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2891, datum uitspraak 06-04-2009, publicatiedatum 04-05-2009
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009
Belanghebbende heeft met een in Duitsland geregistreerde auto, voorzien van een Duits kenteken, gebruikgemaakt van de weg. Hiervoor is geen motorrijtuigenbelasting voldaan of een vrijstelling verleend. Ter zake van het gebruik van de weg heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB alsmede een verzuimboete van 100% opgelegd.

NTFR 2009/1129 - Intrekking cassatieberoep inzake terugwijzing aanvraag energiepremie naar inspecteur

Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009
De staatssecretaris van Financiën deelt mede het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Hof Den Bosch 21 november 2008, nr. 07/00201, NTFR 2009/318, in te trekken. Het hof oordeelde in die uitspraak dat belanghebbende, die heeft geïnvesteerd in zaken en voorzieningen waarbij hij een energiepremie zou kunnen krijgen, de dupe dreigt te worden van het niet correct op elkaar aansluiten van de regelingen inzake energiepremies van voor en na 2003. Met name de zogenoemde intrekkingsregeling en het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 5 december 2002, nr. CPP2002/3625M, NTFR 2003/68 sluiten niet naadloos op elkaar aan en omdat tussen het sluiten van aannemingsovereenkomsten en koopovereenkomsten en levering en/of uitvoering altijd een bepaalde tijdspanne zit, zo ook bij belanghebbende, ontstaat er een onevenredige situatie. Het hof concludeert dat toepassing van het besluit in dit geval voor belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Op grond van art. 4:84 Awb had de inspecteur daarom niet in overeenstemming met de in het besluit neergelegde beleidsregel moeten handelen. Hij had de aanvraag inhoudelijk moeten beoordelen op basis van de voor het jaar 2002 geldende regeling.

NTFR 2009/1131 - Rechter kan aansprakelijkheid van bestuurder niet matigen

ECLI:NL:HR:2009:BI3747, datum uitspraak 15-05-2009, publicatiedatum 15-05-2009
Aflevering 21, gepubliceerd op 21-05-2009 met annotatie van mr. J.D. Schouten
A bv exploiteerde een taxibedrijf. Zij heeft over enige tijdvakken geen loonbelasting afgedragen en geen omzetbelasting voldaan. A bv is failliet verklaard en de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt. De ontvanger heeft belanghebbende als feitelijk bestuurder aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden.