Aflevering 3

Gepubliceerd op 17 januari 2019

NTFR 2019/69 - Balanceren tussen rechtsbescherming en rechtsmisbruik

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 geschreven door mr. dr. N. Djebali
Laten we dit nieuwe jaar eens stevig beginnen en een lastig, zich voor menig discussie lenend onderwerp bij de horens vatten: rechtsmisbruik. Komen wij dit in onze alledaagse praktijk, en dan denk ik in mijn geval met name aan de belastingrechtspraak, weleens tegen? En zo ja, op welke schaal en in welke variaties? Helaas zijn in de belastingrechtspraak ieder jaar wel weer (nieuwe) gevallen zichtbaar waarin er sprake is van een wijze van uitoefening van het recht die de kennelijke grenzen daarvan te buiten gaat. Hierbij kan in de eerste plaats gedacht worden aan de ingewikkelder casussen waarin sprake is van misbruik van wettelijk gefaciliteerde (concern)constructies en/of van misbruik van verdragsrecht. Deze casussen komen echter in veel mindere mate voor dan de zogenoemde ‘huis-tuin-en-keuken’-casussen waarin eveneens misbruik van recht zichtbaar is hetzij langs de grenzen van de wet wordt geschoren. Men moet dan vooral denken aan vormen van misbruik van procesrecht.

NTFR 2019/70 - Overleg over mogelijke fiscale knelpunten gezinshuizen

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft Tweede Kamervragen beantwoord over gezinshuizen. In dat verband is ook gevraagd of het klopt dat de dagvergoeding voor gezinshuisouders volledig wordt belast terwijl de kosten van huisvesting en ondersteuning niet aftrekbaar zijn. Daaraan is gekoppeld de vraag of de minister afspraken met de Belastingdienst wil maken om de werkruimteregeling van toepassing te verklaren op gezinshuisouders. Hierop antwoordt de minister dat hij in overleg is met het Ministerie van Financiën om te zien of er fiscale knelpunten zijn en dat hij zo nodig afspraken zal met de Belastingdienst om deze aan te pakken.

NTFR 2019/71 - Landbouwnormen 2018 bekendgemaakt

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019
Op belastingdienst.nl zijn de Landelijke Landbouwnormen 2018 bekendgemaakt. De Landelijke Landbouwnormen gelden voor ondernemers van agrarische bedrijven en voor agrarische activiteiten in Nederland. De normen betreffen onttrekkingen, kostenposten, waarderingen en afschrijvingen in de veehouderij en de land- en tuinbouw. Hiermee bepalen agrarische ondernemers de jaarwinst van het bedrijf voor de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. De normen worden door de Belastingdienst toegepast bij de beoordeling van de aangiften. In uitzonderlijke gevallen mag worden afgeweken van de Landelijke Landbouwnormen. De normen gelden voor het kalenderjaar 2018 en het gebroken boekjaar dat begint in 2018 en eindigt in 2019.

NTFR 2019/72 - Handreiking interpretatie 'regeling voor vervroegd uittreden'

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 geschreven door mr. J.D. Schouten
De Belastingdienst heeft een handreiking gepubliceerd voor de interpretatie van het begrip ‘regeling voor vervroegde uittreding’ zoals vermeld in art. 32ba Wet LB 1964 (RVU). De handreiking behandelt de gevolgen voor de praktijk van HR 22 juni 2018, nr. 16/06236 (NTFR 2018/1466). Een RVU-toets vindt allereerst plaats op basis van de objectieve voorwaarden van de regeling. Indien nodig kan vervolgens gekeken worden naar de objectieve kenmerken van de regeling. In deze handreiking wordt de toets op basis van de objectieve voorwaarden en kenmerken nader uitgewerkt.

NTFR 2019/75 - Besluit subjectieve vrijstellingen VPB herzien

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019
Het besluit met het beleid over de subjectieve vrijstellingen voor natuurschoonlichamen, pensioenlichamen, lichamen die specifieke zorgwerkzaamheden verrichten en sociale werkbedrijflichamen is gewijzigd. Ook is het besluit van 8 december 2009, nr. CPP2009/1368M geactualiseerd en onder meer aangepast aan de wettelijke aanpassingen die per 2012 zijn doorgevoerd (OFM 2012). Het beleidsstandpunt dat is opgenomen in onderdeel 4.5 van het besluit met nr. CPP2009/1368M is komen te vervallen, nu er met ingang van 2012 een verduidelijking heeft plaatsgevonden van de wettelijke regeling.

NTFR 2019/77 - Voorschrift Tabel II

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 geschreven door mr. P.F. Zijlstra
Dit besluit wijzigt per 1 januari 2019 de toelichting op post a.3 en a.4 van Voorschrift Tabel II. De wijziging houdt verband met de aanpassing per 1 januari 2019 van de tabelposten a.3 en a.4 van Tabel II bij de Wet OB 1968. Deze wijziging ziet in het bijzonder op de nieuwe definitie van het begrip ‘zeeschepen’ als bedoeld in de genoemde tabelposten.

NTFR 2019/78 - Landbouwnormenonderdeel eigen en privégebruik 2018 bekendgemaakt

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 geschreven door mr. H.J. de Boer
De Belastingdienst heeft de normen bekendgemaakt voor het eigen verbruik van de meest gangbare agrarische producten en richtlijnen voor het privégedeelte van de kosten van energie en water. Deze zijn van belang voor de laatste btw-aangifte over 2018. De overige landbouwnormen zullen in de loop van januari 2019 beschikbaar zijn.

NTFR 2019/79 - Vadan: geen btw-aftrek op basis van enkel een raming in het kader van een gerechtelijke expertise

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 met annotatie van mr. C.C. van den Berg
Vadan heeft een woningcomplex gebouwd bestaande uit zestien gebouwen, met eengezinswoningen en negentig appartementen. Deze woningen werden tussen 2006 en 2008 voltooid. De Roemeense belastingdienst was van mening dat Vadan belastingplichtig was geworden voor de btw en zich had moeten registreren, omdat hij het plafond voor btw-vrijstelling had overschreden. Vadan was van mening dat hij zich niet hoefde te registreren, omdat hij de btw al bij zijn aankopen had betaald en nooit btw van zijn kopers had geïnd. Via een gerechtelijke expertise is geraamd wat het voor Vadan aftrekbare btw-bedrag zou zijn op grond van de hoeveelheid werk en het aantal voor het werk benodigde arbeidskrachten. De verwijzende rechter vraagt zich af of een belastingplichtige enkel op basis van de raming in het kader van een gerechtelijke expertise recht op btw-aftrek kan worden verleend.

NTFR 2019/81 - Geen teruggaaf accijns voor gestolen en onder douanetoezicht vernietigde sigaretten

ECLI:NL:HR:2019:35, datum uitspraak 11-01-2019, publicatiedatum 11-01-2019
Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Belanghebbende, een in Roemenië gevestigde vennootschap, heeft een partij sigaretten onder schorsing van accijns naar een accijnsgoederenplaats in Nederland overgebracht. Bij aankomst bleek dat een deel van de sigaretten ontbrak. Over de vermiste sigaretten heeft belanghebbende accijns voldaan. De vermiste – gestolen – sigaretten zijn aangetroffen in Frankrijk, in beslag genomen en onder toezicht van de Franse douane vernietigd. Belanghebbende heeft een teruggaafverzoek ingediend met betrekking tot de door haar voldane accijns voor de vermiste sigaretten. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden (19 januari 2017, nr. 1031/15, NTFR 2017/412) heeft de inspecteur dit verzoek terecht afgewezen. De Hoge Raad onderschrijft die beslissing. De cassatierechter stelt voorop dat voor tabaksfabrikaten met art. 71, lid 1, WA invulling is gegeven aan art. 17 Richtlijn 2011/64/EU. Die richtlijn laat het aan de lidstaten over om voorwaarden te stellen aan het verlenen van teruggaaf van reeds voldane accijns voor tabaksfabrikaten die onder overheidstoezicht worden vernietigd. Een van de nationale voorwaarden daarvoor is dat de accijnsgoederen tot een bedrijfsvoorraad behoren. Dit begrip moet volgens de Hoge Raad in de nationale context worden uitgelegd; richtlijnconforme interpretatie is niet aan de orde. Het vereiste dat de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren betekent in elk geval dat de desbetreffende accijnsgoederen onmiddellijk voorafgaand aan de vernietiging onder ambtelijk toezicht voor handelsdoeleinden beschikbaar zijn. Anders dan belanghebbende betoogt, volstaat een ‘boekhoudkundige bedrijfsvoorraad’ dus niet. De geldende voorwaarden zijn niet alleen bedoeld als waarborg dat de soort, hoeveelheid en de samenstelling van de accijnsgoederen alsmede het tijdstip waarop en de reden waarom de accijnsgoederen zijn vernietigd, in een boekhouding zijn vastgelegd en kunnen worden aangetoond, maar ook om aan de hand van de bedrijfsadministratie te kunnen controleren of de accijnsgoederen voor handelsdoeleinden toebehoorden aan dat bedrijf. Deze uitleg komt niet in strijd met doel en strekking van de Unierechtelijke richtlijnen voor de heffing van accijns. Aan deze richtlijnen kan geen steun worden ontleend voor een algemeen geldende regel of een algemeen geldende doelstelling die eist dat teruggaaf van voldane accijns in elk geval moet worden verleend indien tabaksfabrikaten onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd. Ook kan geen steun worden gevonden voor het uitgangspunt dat deze richtlijnen mede beogen te bewerkstelligen dat lidstaten altijd accijns moeten teruggeven indien deze tabaksfabrikaten na de uitslag tot verbruik ervan uiteindelijk niet voor consumptieve doeleinden zijn verbruikt.

NTFR 2019/84 - Wijziging ministeriële regeling inzake afschrijving BPM voor teruggaaf rest-BPM niet strijdig met rechtszekerheidsbeginsel

ECLI:NL:HR:2018:2265, datum uitspraak 07-12-2018, publicatiedatum 07-12-2018
Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 met annotatie van mr. P.G.M. Jansen
Belanghebbende handelt in gebruikte auto’s. De door haar ingekochte auto’s worden verkocht aan afnemers in andere EU-lidstaten. Bij de prijsvorming speelt voor belanghebbende de hoogte van de teruggaaf van de rest-BPM een belangrijke rol. Deze rest-BPM wordt berekend op basis van een in een ministeriële regeling opgenomen afschrijvingstabel (art. 8d, lid 1, Uitvoeringsregeling BPM 1992). Deze afschrijvingstabel is gewijzigd bij ministeriële regeling van 18 juni 2012, die op 28 juni 2012 in de Staatscourant is gepubliceerd en die per 1 juli 2012 in werking is getreden. De terug te geven rest-BPM op uitgevoerde auto’s is door de werking van de nieuwe afschrijvingstabel lager dan volgens de oude tabel. Belanghebbende heeft onder meer aangevoerd dat de nieuwe afschrijvingstabel strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel (als algemeen ongeschreven rechtsbeginsel). Hof Arnhem-Leeuwarden (16 januari 2018, nrs. 15/01393 en 15/01394, NTFR 2018/496) heeft die stelling niet gehonoreerd omdat, kort gezegd, de ministeriële regeling niet met terugwerkende kracht is ingevoerd. Volgens de Hoge Raad is dat echter te kort door de bocht. Schending van het rechtszekerheidsbeginsel kan zich namelijk niet alleen voordoen indien wetgeving in materiële zin met terugwerkende kracht wordt ingevoerd. Bij het rechtszekerheidsbeginsel gaat het ook om eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen. Dit baat belanghebbende echter niet omdat zij haar stellingen op dit punt niet voldoende heeft onderbouwd, zodat het hof het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet kon honoreren.

NTFR 2019/85 - Belastingrechter is bevoegd inzake beroep tegen inhouding op loon van militair; verwijzing naar militaire ambtenarenrechter niet mogelijk

ECLI:NL:HR:2019:2, datum uitspraak 11-01-2019, publicatiedatum 11-01-2019
Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 met annotatie van mr. R. Marchal
Belanghebbende is militair. De invoering van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL) in 2013 heeft een negatief effect op zijn nettosalaris. De compensatiemaatregel van de minister van Defensie is ontoereikend om dit nadeel te compenseren. Belanghebbende heeft bij de minister bezwaar gemaakt tegen de toegezonden salarisstrook. Uiteindelijk heeft de CRvB geoordeeld dat het bezwaar in wezen is gericht tegen de hoogte van de ingehouden loonbelasting en dat de belastinginspecteur dus op het bezwaar had moeten beslissen. Nadien heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hof Arnhem-Leeuwarden (19 december 2017, nr. 16/01236, NTFR 2018/98) heeft geoordeeld dat de belastingrechter bevoegd is. In cassatie betoogt belanghebbende dat de zaak moet worden verwezen naar de rechtsgang bij de militaire ambtenarenrechter. Deze klacht faalt. Volgens de Hoge Raad is de eerdere uitspraak van de CRvB gedaan in een rechtsgang op de voet van het militaire ambtenarenrecht. Tegen die uitspraak staat geen cassatieberoep open. De zaak kan daarom niet meer terug naar de rechtsgang bij de militaire ambtenarenrechter.

NTFR 2019/86 - Hoge Raad geeft nadere regels over vergoeding wettelijke rente over immateriëleschadevergoedingen

ECLI:NL:HR:2018:2358, datum uitspraak 21-12-2018, publicatiedatum 21-12-2018
Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 met annotatie van mr. P.G.M. Jansen
De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld tot een immateriëleschadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur daarover wettelijke rente is verschuldigd. Hof Den Bosch (24 augustus 2017, nr. 16/03495, NTFR 2017/2517) heeft die stelling onderschreven, maar heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en belanghebbende geen proceskosten- en griffierechtvergoeding voor het hoger beroep toegekend. In cassatie is belanghebbende daartegen opgekomen. De Hoge Raad herhaalt eerst zijn rechtsregels uit HR 26 februari 2016, nr. 14/05747, NTFR 2016/975. Daaraan voegt de Hoge Raad vervolgens toe dat wanneer de rechter vaststelt dat in een vorige fase van het geding ten onrechte niet een schadevergoeding is vastgesteld, en die rechter deze vergoeding alsnog toekent, de wettelijke rente niet eerder gaat lopen dan vier weken nadat die rechter alsnog een veroordeling in zijn uitspraak heeft opgenomen. Verder oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank in haar uitspraak niet een beslissing over de wettelijke rente hoefde op te nemen, aangezien belanghebbende voor de rechtbank daarop geen aanspraak heeft gemaakt. Slechts indien de belanghebbende daarop wel aanspraak maakt, dient de rechter die de verplichting tot vergoeding van immateriële schade vaststelt, te beslissen dat indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan, de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan. Indien de rechter in een zodanig geval nalaat op die aanspraak te beslissen, staat zijn uitspraak op die grond bloot aan vernietiging. Dit neemt niet weg dat de verschuldigdheid van wettelijke rente en de verplichting om die rente te vergoeden – ongeacht of de betaling van die rente bij de rechter is gevorderd – rechtstreeks voortvloeien uit a) de wet (art. 6:119 BW), b) de vaststelling door de rechter van de verplichting tot vergoeding van immateriële schade in verband met het tijdsverloop, en c) het niet-tijdig betalen. Daarom is het hof er terecht van uitgegaan dat de wettelijke rente over die schadevergoeding is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan. Verder oordeelt de Hoge Raad dat voor wettelijke rente over een door de rechter uitgesproken veroordeling tot vergoeding van griffierecht of proceskosten ook het uitgangspunt moet gelden dat de uiterste datum waarop aan deze veroordelingen moet zijn voldaan, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen, is gedaan. Omdat belanghebbende voor de rechtbank geen aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van wettelijke rente en belanghebbende dat voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, kon de uitspraak van het hof over die aanspraak niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep is dan ook terecht ongegrond verklaard.

NTFR 2019/88 - Inwerkingtreding wijzigingsprotocol belastingverdrag met Denemarken

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019
Volgens Trb. 2018, 207 is het op 9 mei 2018 tot stand gekomen Protocol tot wijziging van het belastingverdrag met Denemarken op 31 december 2018 in werking getreden. Met dit wijzigingsprotocol worden een bronstaatheffing voor pensioenen en lijfrenten (met overgangsrecht) en een algemene antimisbruikbepaling in het verdrag opgenomen. Verder worden een aantal verdragsbepalingen gemoderniseerd, waaronder de bepalingen inzake informatie-uitwisseling en bijstand bij invordering.

NTFR 2019/89 - Formeel staatssteunonderzoek bij Nike

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019 geschreven door A.F. Gunn
Op 10 januari 2019 opende de Europese Commissie een formeel staatssteunonderzoek naar de Amerikaanse multinational Nike. Dit onderzoek heeft betrekking op de fiscale behandeling van twee in Nederland gevestigde vennootschappen in de Nike-groep (te weten Nike European Operations Netherlands bv en Converse Netherlands bv) in de periode 2006-2015. Deze rulings hebben betrekking op de methode voor het berekenen van de omvang van royalty’s, die de twee Nike-bv’s betalen aan twee fiscaal transparante entiteiten voor het gebruik van intellectuele eigendom. De laatstbedoelde entiteiten betalen geen Nederlandse belasting.

NTFR 2019/90 - Memorandum van Overeenstemming met Kazachstan over (automatische) fiscale inlichtingenuitwisseling

Aflevering 3, gepubliceerd op 17-01-2019
De staatssecretaris van Financiën maakt met dit besluit bekend dat tussen de Ministeries van Financiën van Nederland en Kazachstan een Memorandum van Overeenstemming is gesloten inzake samenwerking en inlichtingenuitwisseling voor belastingaangelegenheden. Het Memorandum geeft vormvoorschriften voor een verzoek om bijstand en voorziet verder in de automatische uitwisseling van inlichtingen over particulieren, rechtspersonen en andere lichamen met betrekking tot onroerende zaken, ondernemingswinsten (indien beschikbaar), dividenden, interest, inkomsten uit vermogenswinsten (indien beschikbaar), inkomsten uit salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, directeursbeloningen, inkomsten van artiesten en sportbeoefenaars, pensioenen en soortgelijke beloningen en overige inkomsten. Daarnaast bevat het Memorandum bepalingen over gelijktijdige belastingonderzoeken. Het Memorandum vindt voor het eerst toepassing op inlichtingen met betrekking tot het jaar 2018.