NTFR Beschouwingen 2007/9 - De kwalificatie van activiteiten in de Wet VPB 1969
Aflevering 2, gepubliceerd op 21-03-2007 geschreven door drs. N.M. LigthartIn een arrest van 8 december 2006 HR 8 december 2006, nr. 41.711, NTFR 2006/1739. heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de reikwijdte van het begrip ‘onderneming’ voor de toepassing van art. 20, lid 5 (oud), Wet VPB 1969 (verliesverrekening bij belangenwijziging). Uit dit arrest blijkt dat een scherpe grens tussen normaal vermogensbeheer enerzijds en een (materiële) onderneming anderzijds in dit kader ontbreekt. De aanwezigheid van een onderneming komt in diverse bepalingen van de Wet VPB 1969 naar voren, maar de inhoud is niet eenduidig. Daarnaast spreekt de wet de ene keer over ‘onderneming’ en de andere keer over ‘werkzaamheid’, waar wordt gedoeld op de activiteiten van een belastingplichtige. Ook wordt op diverse plaatsen de term ‘belegging(en)’ naar voren gehaald, teneinde het belang van de aan- c.q. afwezigheid van een onderneming te benadrukken. Deze bijdrage kent een tweetal aandachtsgebieden: a. een nadere beschouwing van NTFR 2006/1739 (onderdeel 3), en b. de wijze van invulling van het ondernemingsbegrip in de Wet VPB 1969 (onderdeel 5). Voor een nadere analyse van de in casu te hanteren ondernemingscriteria en de gevolgen van de casus van NTFR 2006/1739 onder art. 20a Wet VPB 1969 verwijs ik naar de conclusie van A-G Wattel bij dit arrest.