NTFR Beschouwingen 2007/32 - Naar een Europese vennootschapsbelasting?
Aflevering 5-6, gepubliceerd op 25-07-2007 geschreven door prof.dr. P. KavelaarsDe Europese Commissie (EC) heeft enkele jaren geleden het initiatief genomen om te komen tot een zekere coördinatie of harmonisatie van de systemen van vennootschapsbelastingen binnen de EU; basis daarvoor vormt de Lissabon-strategie van 2001 die erop is gericht van de EU in 2010 de meest concurrerende economie ter wereld te maken. Daarbij gaat het er niet om – zoals in de jaren zeventig van de vorige eeuw – te komen tot een stelsel van vennootschapsbelasting in samenhang met de inkomstenbelasting, gericht op de beperking van de economische dubbele druk die uit de cumulatie van deze beide belastingen kan voortvloeien en welk streven overigens ook volledig is mislukt. Wel gaat het er nu om dat substantiële voordelen moeten worden behaald door de stelsels van vennootschapsbelasting verder naar elkaar toe te brengen, waarbij zij aangetekend dat ten gevolge van de zogenoemde negatieve integratie die voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EG een aantal ‘uitwassen’ inmiddels is weggenomen. Voorbeelden vormen het arrest Avoir fiscal (HvJ EG 28 januari 1986, zaak C-270/83, Jur. 1986, 273) en nadien de arresten St. Gobain (HvJ EG 21 september 1999, zaak C-307/97, Jur. 1999, 6161, Lankhorst-Hohorst (HvJ EG 13 december 2002, zaak C-324/00, Jur. 2002, 11 779), Bosal (HvJ EG 18 september 2003, zaak C-168/01, Jur. 2003, 9409) en Marks & Spencer (HvJ EG 13 december 2005, zaak C-446/03, NTFR 2005/1718, BNB 2006/72). De EC is evenwel van mening dat een snellere en verdergaande onderlinge afstemming van de stelsels van vennootschapsbelasting wenselijk is, teneinde verstoringen tussen de lidstaten die uit die verschillen kunnen voortvloeien te minimaliseren. Dergelijke verstoringen zijn de afgelopen jaren overigens niet alleen verminderd door de negatieve integratie, maar ook door totstandkoming van de Gedragscode en de daaruit voortgevloeide infractieprocedures, dan wel de dreiging door de EC met dergelijke infractieprocedures. De bekendste voorbeelden zijn de afschaffing van het Nederlandse CFM-regime, het Belgische regime van de Coördinatiecentra en het Ierse financieringsregime. Men zou kunnen zeggen dat ook de beëindiging van het Luxemburgse Holding 1929-regime hier nog uit voortvloeit. Overigens zijn er in al deze gevallen nieuwe regimes voor in de plaats gekomen of voorgesteld, doch die hebben – althans dat is de bedoeling – een meer generiek karakter. Deze ontwikkelingen hebben niet zozeer geleid tot een sterke vermindering van de verschillen tussen de fiscale winstbepalingssystemen van de lidstaten, maar veeleer bijgedragen aan de verlaging van de tarieven van vennootschapsbelasting binnen de EU, alsmede tot een vermindering van de bandbreedte van die tarieven. Tussen beide – winstbepalingsstelsel en tarieven – bestaat vanzelfsprekend een samenhang: gezamenlijk bepalen ze de effectieve belastingdruk op de winst. En uiteindelijk is dat hetgeen voor ondernemingen relevant is: de vennootschapsbelasting vormt een kostenpost en dientengevolge gaat het erom (ook) die kosten zo laag mogelijk te houden.