NTFR Beschouwingen 2007/35 - De vaste inrichting
Aflevering 7, gepubliceerd op 29-08-2007 geschreven door prof.dr. G.M.M. MichielseOp 11 mei jl. heeft de Hoge Raad beslist inzake de verrekening van buitenlandse bronheffing over passief inkomen dat werd toegerekend aan een vaste inrichting van een in Nederland gevestigde vennootschap. HR 11 mei 2007, nr. 42.385 en 42.386, NTFR 2007/944 en NTFR 2007/910. Nederland hoeft in casu geen voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de geheven bronheffing, omdat – op grond van Europese rechtspraak HvJ EG 28 januari 1986, zaak C-270/83 (Commission of the European Communities v. French Republic) en HvJ EG 21 september 1999, zaak C-307/97 (Compagnie de Saint Gobain (Zweigniederlassung Deutschland) v. Finanzamt Aachen-Innenstadt). – een dergelijke voorkoming door de v.i.-staat moet worden verleend. Ook in een eerdere zaak heeft de Hoge Raad zich in gelijke zin uitgesproken HR 8 februari 2002, nr. 36.155, NTFR 2002/253, BNB 2002/184., terwijl het daar een vaste inrichting in Zwitserland (noch EU-lidstaat, noch EER-lidstaat) betrof. Voor een uitvoerige bespreking van beide zaken verwijs ik naar de literatuur. T. Bender, F.A. Engelen, ‘Hinken op twee gedachten in een driehoekssituatie’, een beschouwing naar aanleiding van HR 8 februari 2002, BNB 2002/184, WFR 2002/1461; O. Kroon, ‘Hoge Raad 8 februari 2002: de goede trouw jegens de bronstaat, non-discriminatie en dubbele belasting in een triangular case’, MBB 2002/236; M. de Wilde, ‘Over samenloop van verrekening en vrijstelling onder belastingverdragen; de Hoge Raad oordeelt opnieuw in een triangular case’ (HR 11 mei 2007, nr. 42.385), (aangeboden aan WFR). Beide arresten vormen voor mij aanleiding om in deze bijdrage het fenomeen ‘vaste inrichting’ als methode voor de internationale winstallocatie van grensoverschrijdende ondernemingen nader te beschouwen.