NTFR Beschouwingen 2007/48 - Onderwijs en btw: ‘Quite clear, no doubt, somehow…’
Aflevering 9, gepubliceerd op 31-10-2007 geschreven door mr.dr. J.Th. SandersBinnen de Europese btw-regelgeving Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, PbEU L 347 van 11 december 2006 (ook wel: Btw-richtlijn). Het betreft hier met name art. 132. bestaan vrijstellingen ten gunste van bepaalde activiteiten van algemeen belang. Niet alle activiteiten van algemeen belang zijn vrijgesteld, maar enkel die, welke erin worden opgesomd en zeer gedetailleerd zijn omschreven. Hiertoe moeten zonder twijfel onderwijsprestaties worden gerekend. Het vrijstellen van activiteiten van een belastingplichtige waarin de bestaande regelgeving niet voorziet, vormt een afwijking van het principe van de als algemene verbruiksbelasting te kwalificeren btw. Een dergelijke afwijking is enkel toegestaan in speciaal daartoe aangegeven gevallen. Inzoomend op de tekst van de desbetreffende bepaling Art. 132, lid 1, aanhef en onder i en j, Btw-richtlijn. is de vrijstelling verplicht voor onderwijs aan kinderen en jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of herscholing Art. 14 Vo. (EG) 1777/2005 van 17 oktober 2005 van de Raad (PbEU 2005 L 288 van 29 oktober 2005) geeft – met ingang van 1 juli 2006 – aan dat dit onderwijs omvat dat rechtstreeks verband houdt met een vak of een beroep en onderwijs met het oog op het voor beroepsdoeleinden verwerven of op peil houden van kennis. De duur van de opleiding is hierbij van geen belang. , met inbegrip van diensten en goederenleveringen die nauw hiermee samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere erkende organisaties. Ook geldt een vrijstelling voor lessen die particulier door docenten worden gegeven en betrekking hebben op het school- of universitair onderwijs. Met betrekking tot de aldus verplichte vrijstellingen kent de Btw-richtlijn bepalingen Gedoeld wordt op art. 133 en art.134. op grond waarvan nadere voorwaarden (kunnen) worden gesteld. In onze ‘nationale’ wetgeving is even bedoelde regelgeving geïmplementeerd met art. 11, lid 1, aanhef en onder o, Wet OB 1968 en de daarop gebaseerde uitvoeringsbepaling. Art. 8 Uitv.besl. OB 1968. Van belang is dan dat deze onderwijsvrijstelling – kort gezegd – onderwijs aan leerplichtige kinderen en voortgezet onderwijs aan jongeren betreft die niet meer leerplichtig zijn, zoals mbo, hbo, vwo en wo. Daarnaast gelden vrijstellingen voor: beroepsonderwijs; algemeen vormend onderwijs dat wordt bekostigd uit de publieke middelen, met uitzondering van onderwijs met een vrijetijdskarakter of een oogmerk om vaardigheden voor de persoonlijke levenssfeer te verwerven; onderwijs in dans, muziek, drama en beeldende vorming aan personen jonger dan 21 jaar; bijlessen en tentamen- en examentrainingen die samenhangen met het onderwijs van art. 11, lid 1, aanhef en onder o, 1º, Wet OB 1968 en het afnemen van tentamens ter afsluiting van het onderwijs bedoeld in art. 11, lid 1, aanhef en onder o, Wet OB 1968, zelfs als het tentamen wordt afgenomen door een andere belastingplichtige dan die het onderwijs heeft verstrekt. Een eventueel winstoogmerk staat aan de toepassing van de vrijstelling niet in de weg.