NTFR Beschouwingen 2008/5 - Het arrest Amurta
Aflevering 1, gepubliceerd op 09-01-2008 geschreven door prof.dr. O.C.R. MarresAmurta SGPS, een in Portugal gevestigde vennootschap (hierna: Amurta), hield 14% van de aandelen in Retailbox BV, een in Nederland gevestigde vennootschap. Te weinig om een beroep te kunnen doen op de inhoudingsvrijstelling van art. 4a Wet DB 1965 (oud). Het op 31 december 2002 door Retailbox BV aan Amurta uitgekeerde dividend was daarom belast met dividendbelasting. Indien Amurta in Nederland zou zijn gevestigd, dan zou zij de deelnemingsvrijstelling hebben kunnen toepassen, en zou – mits de aandelen aan Nederlands ondernemingsvermogen toerekenbaar zouden zijn – een vrijstelling gelden op de voet van art. 4, lid 1, Wet DB 1965 (oud). In lijn met eerdere jurisprudentie oordeelt het Hof van Justitie EG dat deze ongelijke behandeling in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer (eerste prejudiciële vraag) en dat deze strijdigheid zelfs indien Portugal de dividendvrijstelling unilateraal zou verrekenen niet zou zijn opgeheven (tweede prejudiciële vraag). Hierna behandel ik allereerst afzonderlijk de antwoorden op beide prejudiciële vragen. Vervolgens bespreek ik hoe het antwoord op de tweede prejudiciële vraag zich verhoudt tot andere jurisprudentie van het Hof van Justitie EG en het Hof van Justitie van de Europese Vrijhandelsassociatie en geef ik een beschouwing over dit oordeel. Ten slotte bespreek ik de gevolgen van dit arrest voor de Nederlandse dividendbelasting.