NTFR Beschouwingen 2008/22 - Verschuldigdheid van btw
Aflevering 4, gepubliceerd op 02-04-2008 geschreven door mr. J.J.M. LamersArt. 37 Wet OB 1968 en art. 203 Btw-richtlijn bepalen dat de btw verschuldigd wordt vanwege de vermelding op een factuur. Uit de nationale wetsgeschiedenis Kamerstukken II, 1967-1968, 9324, nr. 3, p. 38 lk. en uit de toelichting op het voorstel voor de Zesde Btw-richtlijn Volgens art. 11, lid 1, onderdeel b, Tweede Btw-richtlijn en het voorstel voor art. 17, lid 2, onderdeel a, Zesde Btw-richtlijn kon alle gefactureerde btw ter zake van geleverde goederen en verrichte diensten in aftrek worden gebracht. De uiteindelijke tekst van art. 17, lid 2, onderdeel a, Zesde Btw-richtlijn wijkt hiervan af en staat recht op aftrek toe van btw die is verschuldigd ter zake van een aan btw onderworpen handeling. blijkt dat de reden van invoering van deze bepalingen is gelegen in het gevaar, dat de ontvanger van de factuur de daarop vermelde btw in aftrek brengt. In de zaak Genius Holding HvJ EG 13 december 1989, zaak C-342/87. heeft het Hof van Justitie EG (hierna: HvJ EG) echter beslist, dat het recht op aftrek uit de Zesde Btw-richtlijn zich niet uitstrekt tot btw die uitsluitend is verschuldigd op grond van vermelding op de factuur. Theoretisch is daarmee het bestaansrecht aan art. 37 Wet OB 1968 komen te ontvallen. Want waarom een verschuldigdheid van btw invoeren, die de gevolgen van ongewenste aftrek van voorbelasting poogt te neutraliseren, als niet eens een zodanig recht op aftrek bestaat? Veel jurisprudentie die rondom art. 37 Wet OB 1968 is ontstaan, is er dan ook op gericht de (cumulatieve) werking van dat artikel ongedaan te maken. Zo is in de jurisprudentie bepaald dat de lidstaten een regeling moeten opnemen in hun nationale wetgeving om de ten onrechte gefactureerde btw te herzien. HvJ EG 19 september 2000, zaak C-454/98 (Schmeink & Cofreth/Strobel). Van recenter datum is de jurisprudentie waaruit blijkt dat de btw vermeld op een factuur in bepaalde gevallen geen btw is. HvJ 6 EG november 2003, zaak C-78/02, NTFR 2003/1906 (Maria Karageorgou) en HR 14 december 2007, nr. 37 748 inzake de bemiddeling bij kinderopvang. Ik onderwerp deze jurisprudentie aan een beschouwing. Daarna ga ik in op de vraag of de bijl niet moet worden gelegd aan de wortel van art. 37 Wet OB 1968, nu de reden voor invoering van deze bepaling niet lijkt te bestaan.