NTFR Beschouwingen 2009/10 - Over vragen en overvragen
Aflevering 2, gepubliceerd op 06-02-2009 geschreven door mr.dr. J.Th. SandersHet komt voor dat een rechterlijke instantie het Hof van Justitie EG (hierna: HvJ EG) prejudiciële vragen stelt inzake de uitlegging van bepalingen van de omzetbelasting naar aanleiding van een door partijen voorgelegd geschil op het gebied van een andere belasting. Dit is recent geschied in HR 3 oktober 2008, nr. 45.510, NTFR 2008/1955, een te berechten casus met als inzet een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. Hoewel de overdrachtsbelasting de essentiële kenmerken mist te worden aangemerkt als (Europese) omzetbelasting, is de overdrachtsbelasting door de in de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) gekozen heffingssystematiek in een aantal gevallen tot de omzetbelasting veroordeeld. Dat blijkt bijvoorbeeld uit art. 15, lid 1, aanhef en onder a, WBR, de samenloopvrijstelling. Ter vaststelling dat ter zake van een verkrijging van een in Nederland gesitueerde onroerende zaak een vrijstelling voor de heffing van overdrachtsbelasting van toepassing is, moeten verschillende voorvragen met betrekking tot de heffing van omzetbelasting worden beantwoord. Het bepaalde in art. 15, lid 4, WBR laat ik hier buiten beschouwing. Ik noem in dit verband enkel de doorgaans eenvoudig te beantwoorden feitelijke vraag of de leverancier het goed, te weten de verkregen onroerende zaak, als bedrijfsmiddel heeft gebruikt, de vraag inzake de aftrek van voorbelasting bij de afnemer en de vraag van weerbarstige aard omtrent de verschuldigdheid ‘van rechtswege’ van omzetbelasting ter zake van de voor die belasting relevante prestatie. De ‘ins and outs’ van deze laatste vraag vormen het voornaamste onderwerp van deze bijdrage.