NTFR Beschouwingen 2009/26 - Gemengd gebruik van gemengd gebruik
Aflevering 6, gepubliceerd op 05-06-2009 geschreven door mr.dr. J.Th. SandersOp 23 april 2009 heeft het Hof van Justitie EG (verder: HvJ EG) in zaak C-460/07, Sandra Puffer (NTFR 2009/1030) als antwoord op een daartoe door een Oostenrijkse rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag voor recht verklaard dat art. 17, lid 2, sub a, en art. 6, lid 2, sub a, Zesde Richtlijn (thans: art. 168, onder a, en art. 26, lid 1, onder a, Btw-richtlijn) niet in strijd zijn met het algemeen gemeenschapsrechtelijk gelijkheidsbeginsel. De verwijzingsechter onderkende bij de toepassing van deze bepalingen overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ EG in een aan hem voorgelegd geschil een in zijn ogen niet-gerechtvaardigd cashflowvoordeel voor de betrokken ondernemer. Via de in deze bepalingen neergelegde regeling (en dan met name aan de hand van de uitleg in de vaste jurisprudentie van het HvJ EG) van het recht op volledige en onmiddellijke aftrek van de voorbelasting over de bouw van een onroerend goed voor gemengd gebruik en de latere gespreide heffing van btw over het privégebruik van dit onroerend goed, zou aan belastingplichtigen een dergelijk voordeel (kunnen) worden verschaft dat niet-belastingplichtigen, alsmede belastingplichtigen die hun onroerend goed uitsluitend als privéwoning gebruiken, moeten missen. Met dit arrest is, zoals gezegd, uitgemaakt dat in het te berechten geval geen sprake is van schending van het communautair gelijkheidsbeginsel. Deze constatering is uiteraard van groot belang voor de partijen van het geding. Belangrijker evenwel, en dan heb ik het oog op de toepassing van genoemde artikelen in de hele Europese Unie, is hoe het HvJ EG tot dit antwoord komt en of het arrest daarmee al dan niet een brede strekking heeft. Deze bijdrage wil het omzetbelastingtechnische kader schetsen waarin de casus en het antwoord op deze vraag moeten worden geplaatst. De contouren worden gevormd door twee lastige leerstukken in de omzetbelasting, te weten de zogenoemde etikettering en de aftrek van voorbelasting. Op voorhand kan worden gezegd dat het antwoord waartoe het HvJ EG is gekomen mijns inziens niet voor de hand lag.