NTFR Beschouwingen 2010/32 - Exploitatie windturbine
Aflevering 10, gepubliceerd op 14-10-2010 geschreven door mr. L.J.A. PieterseDe omgang met of, wellicht bevredigender gezegd, strijd tegen windmolens heeft in een wereldwijd vermaard werk van letterkundige aard op zodanig tot de verbeelding sprekende wijze vorm gekregen dat de rijkdom daarvan zich in een deel van het collectieve geheugen heeft vastgezet. Ook in ons land hebben windmolens een prominente rol gespeeld, maar de glorietijd is voorgoed voorbij (‘Zoals zij daar staan, in de grijze mantel van de beginnende nacht, hout, hardsteen, zeildoek, baksteen, riet, meer niet, zijn zij een onverbrekelijk verbond van techniek en esthetiek.’ Geert van Istendael, ‘Molens’, in: Mijn Nederland, Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2005, p. 226-227.). Het bestand van traditionele windmolens is geleidelijk, maar definitief, uitgedund en moderne varianten daarvan – windturbines – zijn de laatste jaren op tal van plaatsen als paddenstoelen uit de grond geschoten (‘Maar wie ik het mooiste vind, is de nieuwste windmolen, die lange slanke stalen paal, met aan de top drie metalen wieken, als een ouderwetse propeller’, aldus een enigszins extatische Kees Fens Kees Fens, ‘Wiekjes in de ruimte’, in: In het voorbijgaan. Kleine essays, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2007, p. 55., die ik hier, zo gezegd, niet zou willen tegenspreken). Dat ‘de nieuwste windmolen’ ook in het fiscale circuit op de nodige aandacht mag rekenen, is een constatering die wel geen tegenwind zal ontmoeten. Zo hebben verschillende feitenrechters Die in Amsterdam, Haarlem en Leeuwarden. zich de afgelopen jaren gebogen over de vraag of de exploitatie van een windturbine is aan te merken als (het drijven van) een onderneming. Een vraag die op verschillende wijzen is beantwoord Zie bijvoorbeeld: Rechtbank Haarlem 27 juni 2007, nr. 06/04073, NTFR 2007/1380, V-N 2007/54.2.1., al was de teneur duidelijk: het resultaat van de exploitatie van zo’n turbine levert winst uit onderneming op. Hof Amsterdam 21 januari 1999, nr. 98/0468, V-N 1999/27.7. Inmiddels heeft (ook) de Hoge Raad zich moeten uitlaten over deze kwestie. HR 23 april 2010, nr. 08/04843, NTFR 2010/1300, V-N 2010/20.8. Deze hoge rechterlijke inmenging heeft geleid tot een ‘belangrijk arrest’, aldus de redactie van een fiscaal weekblad V-N 2010/20.8, p. 33 (‘Met dit belangrijke arrest geeft de Hoge Raad (…) een tweede criterium om de bron onderneming af te bakenen ten opzichte van vermogensbeheer’)., hoewel de zaak in een kleine formatie is afgedaan: niet de gebruikelijke vijf, maar (slechts) drie raadsheren hebben het arrest, dat gewezen is op vrijdag 23 april jl., voor hun rekening genomen. In deze Beschouwing komt dit arrest – en zijn tegelijk daarmee gewezen ‘tweelingbroer’, zij het terloops – aan bod.