NTFR Beschouwingen 2010/17 - Beperking verlengde navorderingstermijn
Aflevering 5, gepubliceerd op 14-05-2010 geschreven door mr. J.H. AsbreukDe Hoge Raad heeft in zijn arresten van 21 maart 2008, NTFR 2008/614 en NTFR 2008/615 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie (HvJ) over de verenigbaarheid van de verlengde navorderingstermijn van art. 16, lid 4, AWR met het EG-Verdrag (inmiddels het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie: VwEU), in het bijzonder met de vrijheden van het diensten- en het kapitaalverkeer. Het HvJ oordeelt in het arrest van 11 juni 2009, dat de regeling in beginsel een verboden beperking van zowel het vrij verrichten van diensten als het vrije verkeer van kapitaal is, maar dat er wel een rechtvaardiging is, namelijk dat art. 16, lid 4, AWR ertoe bijdraagt de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en belastingfraude te bestrijden. In het kader van de proportionaliteit onderscheidt het Hof twee gevallen, het geval dat de inspecteur niet beschikt over aanwijzingen betreffende de buitenlandse bankrekeningen en het geval dat de inspecteur wel beschikt over aanwijzingen. In het eerste geval is de verlengde navorderingstermijn van toepassing. In het tweede geval is er volgens het Hof geen rechtvaardiging voor toepassing van een verlengde navorderingstermijn die er niet toe strekt, de belastingautoriteiten in staat te stellen op nuttige wijze gebruik te maken van regelingen voor wederzijdse bijstand tussen lidstaten. De Hoge Raad heeft in het arrest van 26 februari 2010 het oordeel van het Hof ‘vertaalt’ naar de Nederlandse situatie. De Hoge Raad volgt het onderscheid in twee gevallen en oordeelt betreffende de situatie waarin de inspecteur beschikt over aanwijzingen, dat de aanslag moet worden: ‘opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan’.