NTFR Beschouwingen 2011/34 - Aspecten van de objectieve voordeelsverwachting
Aflevering 10, gepubliceerd op 20-10-2011 geschreven door mr. L.J.A. PieterseIn het belastingrecht zijn verschillende leerstukken aan te wijzen die op dogma’s lijken. De eis dat redelijkerwijs te verwachten moet zijn dat een activiteit – eventueel in de toekomst – een positieve opbrengst moet geven, zou daarvan een voorbeeld kunnen worden genoemd. Het gaat hier om een van de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil sprake zijn van een bron van inkomen, zoals een onderneming. De vraag of genoemde verwachting aanwezig is, dient te worden beantwoord op basis van (relevante) feiten en omstandigheden. Daarmee wil (ook) gezegd zijn dat het daarbij gaat om de ‘werkelijkheid’. Maar de beantwoording van de vraag of de verwachting gerechtvaardigd is dat voordeel zal worden behaald, is niet een volkomen feitelijke aangelegenheid, omdat daarbij ook rechtsvragen een rol kunnen spelen. Zo is het van belang te weten welke periode voor de beoordeling van de objectieve voordeelsverwachting in aanmerking moet dan wel mag worden genomen. Zie daarover L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Kluwer, Deventer 2001, p. 86-87. Een vraag die ik verder laat rusten. Een daarmee samenhangende vraag die ik wel bespreek, is of feiten en omstandigheden van andere jaren dan het jaar waarin de bronvraag aan de orde is, een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een te honoreren objectieve voordeelsverwachting. Over deze rechtsvraag, de vraag dus of ‘wijsheid achteraf’ Door W. Bruins Slot ‘nakennis’ genoemd. Zie zijn commentaar in NTFR 2011/562 bij de conclusie van de advocaat-generaal in deze zaak., in aanmerking mag worden genomen, heeft de Hoge Raad onlangs een arrest gewezen. HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, V-N 2011/32.10, NTFR 2011/1705. In deze Beschouwing tracht ik dit arrest te duiden en de grondslag ervan bloot te leggen.