NTFR Beschouwingen 2012/38 - Aanmerkelijk belang en soortbenadering
Aflevering 11, gepubliceerd op 15-11-2012 geschreven door mr. L.J.A. PieterseDe voorloper van de huidige aanmerkelijkbelangregeling is een product van de bezettingstijd. A.C. Rijkers en J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling in de Wet IB 1964 en de Wet IB 2001, zevende druk, Kluwer, Deventer 2000, p. 22. De regeling werd ingevoerd bij het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 Zie over deze regeling: J.H. Christiaanse, Aanmerkelijk belang, Kluwer, Deventer 1961. en heeft later – in gewijzigde vorm – een plaats gekregen in de Wet IB 1964. Art. 39 e.v. Wet IB 1964. Na een fundamentele herziening ervan bij Wet van 16 december 1996,Stb. 657. is het regime dat – kort gezegd – voordelen belast die worden behaald met een aanmerkelijk belang, overgezet naar de Wet IB 2001. Art. 4.1 e.v. Wet IB 2001. De regeling is van toepassing op een belastingplichtige die over een aanmerkelijk belang beschikt. Daarvan is in ieder geval sprake als hij ten minste vijf percent van het geplaatste aandelenkapitaal van een vennootschap in handen heeft (of rechten heeft om een zodanig belang te verwerven, om een tweede categorie te noemen). Art. 4.6 Wet IB 2001. Indien dat niet het geval is, wordt getoetst of de belastingplichtige wellicht in een bepaalde soort aandelen een aanmerkelijk belang heeft. Art. 4.7, lid 1, Wet IB 2001. Wat onder het begrip soort (aandeel) of in de wettelijke terminologie ‘verschillende soorten aandelen’ moet worden verstaan, is niet eenvoudig aan te geven. R.E. Zwier, ‘De soortbenadering in het aanmerkelijk belang’, WFR 2011/6916, p. 980. In een betrekkelijk recent arrest heeft de Hoge Raad dit begrip nader ingevuld. HR 16 december 2011, nr. 10/00158, V-N 2011/67.6, NTFR 2012/18. Op dezelfde datum heeft de Hoge Raad ook een ander – nagenoeg gelijkluidend – arrest over deze materie gewezen (HR 16 december 2011, nr. 10/00610, V-N 2011/67.7). Dit arrest heeft in de vakpers op ruime aandacht mogen rekenen. Zie onder andere de publicaties van S.J. Mol-Verver, ‘Ruimte in het aanmerkelijk belang door arrest inzake soortbegrip’, FBN 2012/13, p. 6 e.v.; J.W.J. de Kort, ‘Soortaandelen in het aanmerkelijkbelangregime (…)’, FTV 2012/19, p. 12 e.v. en L.P. Cats, ‘Stemrechtloze en winstrechtloze aandelen: soortaandelen?’, VP-Bulletin 2012/32. In deze Beschouwing zal ik dit arrest niet ‘doormeten’, maar als uitgangspunt nemen en vooral ingaan op de vraag wat de invloed van de flexibilisering van het bv-recht Zie de Wet van 5 juli 2012, Stb. 299 (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht) en de Wet van 5 juli 2012, Stb. 300 (Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht). is, dan wel kan zijn op de aanwezigheid van een afzonderlijke aandelensoort. Deze vraag plaats ik tegen de achtergrond van een wat breder perspectief, namelijk die van de betekenis van het privaatrecht voor het belastingrecht.