NTFR Beschouwingen 2013/36 - Schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen
Aflevering 10, gepubliceerd op 31-10-2013 geschreven door dr. E.B. PechlerOp grond van art. 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een betrokkene recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, maar deze bepaling is – nog steeds – niet van toepassing in fiscale niet-boetezaken. Dit laatste geldt ook voor vreemdelingenzaken. In 2008 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) echter dat ook een vreemdelingenzaak binnen een redelijke termijn moet worden beslecht, dit op grond van het rechtszekerheidsbeginsel. ABRvS 3 december 2008, nr. 200704652/1, JB 2009/13. Eerder dat jaar achtte de Afdeling zich bevoegd te oordelen over een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter in een zaak waarin art. 6 EVRM wel van toepassing was ABRvS 4 juni 2008, nr. 200703206, JB 2008/146. (de Centrale Raad van Beroep CRvB 11 juli 2008, nr. 05-1789 WAO, JB 2008/172. en het College van beroep voor het bedrijfsleven CBB 3 maart 2009, nr. AWB 07/118, JB 2009/139. oordeelden kort nadien in dezelfde zin). Voordien moest de betrokkene zich tot de civiele rechter wenden als hij aanspraak maakte op schadevergoeding omdat de bestuursrechter te lang over de zaak had gedaan. Met de arresten van 10 juni 2011 HR 10 juni 2011, nrs. 09/02639, NTFR 2011/1366, BNB 2011/232; HR 10 juni 2011, 09/05112, NTFR 2011/1367, BNB 2011/233; HR 10 juni 2011, 09/05113, NTFR 2011/1368, BNB 2011/234. is de (belastingkamer van de) Hoge Raad in het spoor getreden van de andere hoogste bestuursrechters. Sindsdien kan de belastingrechter in belastinggeschillen (dat is in niet-boetezaken) schadevergoeding toekennen wanneer het bestuursorgaan en/of hijzelf te lang over de zaak heeft gedaan. Dat de belastingrechter nu over die bevoegdheid beschikt, is alleen maar toe te juichen. Kritiek is er wel op de grondslag waarop de Hoge Raad die bevoegdheid vestigt.