NTFR Beschouwingen 2013/30 - Fiscale transparantie van (buitenlandse) stichtingen
Aflevering 9, gepubliceerd op 19-09-2013 geschreven door mr. L.J.A. PieterseDegene die particulier vermogen dat fiscaal relevante draagkracht oplevert verbergt achter de civielrechtelijke coulisse Zie de in FED IB ’64: Art. 24:179 opgenomen aantekening van E. Aardema. van een (buitenlandse) stichting (zoals een Stiftung of een Stichting Particulier Fonds), zal op bijzondere aandacht van de fiscus mogen rekenen. Het vermogen dat in voornoemde rechtsfiguren wordt ondergebracht, verdwijnt namelijk in principe uit dat van de belastingplichtige. Dat geldt ook als de (buitenlandse) stichting ‘(hoofdzakelijk) ten doel heeft het particulier belang van een belastingplichtige te dienen en aangenomen kan worden, dat deze doelstelling zal worden bereikt’, zo oordeelde althans de Hoge Raad enkele decennia geleden. HR 14 september 1977, nr. 18.167, BNB 1978/15. Niet zelden is het echter de bedoeling van de achterliggende belanghebbende om ‘de feitelijke macht uit te (blijven) oefenen met als gevolg dat de rechtspersoon in feite als een verlengstuk van de natuurlijke persoon gaat fungeren’. J.W. Zwemmer, ‘De fiscaalrechtelijke zelfstandigheid van bv en stichting’, FED Algemeen: 169-73. Het wekt geen verwondering dat de fiscus deze rechtsfiguren doorgaans als verdachte vehikels ziet, bij uitstek geschikt om belasting te ontgaan. Aldus J.W. Zwemmer over trusts in een boekbespreking (WPNR 2000/6417, p. 658). Ook SPF’s worden voor minder degelijke doeleinden gebruikt. Zie onder meer Het belastingparadijs, Business Contact, Amsterdam/Antwerpen 2013, p. 208 en NRC Handelsblad 15 juli 2013, p. 30. De praktijk leert dat hij probeert voornoemde – meestal door vermogende particulieren Daartoe behoren ook leden van het Koninklijk Huis (zie: ‘Prinses Margriet heeft ook fiscale constructie’, NRC Handelsblad 15 april 2013, p. 6). – afgezonderde vermogens zo goed mogelijk in het vizier te hebben. In deze Beschouwing ga ik aan de hand van twee onlangs door de Hoge Raad gewezen arresten HR 15 februari 2013, nr. 12/01040, V-N 2013/10.12 en HR 15 maart 2013, nr. 12/03372, NTFR 2013/748. in op met name de vraag wanneer vermogen dat in civielrechtelijke zin aan een (buitenlandse) stichting toebehoort, kan worden toegerekend aan – kort gezegd – de oprichter en vermogensverschaffer ervan, omdat diegene daarover de beschikkingsmacht heeft (het zogeheten beschikkingsmachtcriterium). Hoewel de arresten zelf niet opzienbarend zijn (en bovendien in de fiscale vakpers uitgebreid van commentaar zijn voorzien Zie onder meer de noten van W.A.P. van Roij in FED 2013/40, S.J. Mol-Verver in FED 2013/62 en die van J.P. Boer in BNB 2013/118 en BNB 2013/119.), ga ik na in hoeverre zij licht (zouden kunnen) werpen op de invulling van het door de Hoge Raad ontwikkelde beschikkingsmachtcriterium. Alvorens aandacht te besteden aan deze invalshoek, behandel ik de aanpak door de fiscus van buitenlandse rechtsfiguren waarin particulier vermogen is ondergebracht en schets ik het regime dat afgezonderde particuliere vermogens in de heffing betrekt.