NTFR Beschouwingen 2013/43 - Over heffen over heffe
Aflevering 12, gepubliceerd op 31-12-2013 geschreven door mr.dr. J.Th. SandersIn deze Beschouwing wordt onder andere ingegaan op de heffing van btw over uitschot. De aanleiding vormt HvJ 5 december 2013, gevoegde De zaken betreffen elk een verzoek over een ander tijdvak ambtshalve de btw te herzien, te weten over februari 2004, oktober 2004 en januari 2007. De perioden in 2004 vallen onder de Zesde Richtlijn, de periode in 2007 valt binnen het bereik van de Btw-richtlijn. zaken C-618/11, C-637/11 en C-659/11 (TVI), dat de prejudiciële vragen van de Portugese verwijzende rechter beantwoordt omtrent de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de btw bij het door de ondernemer doorberekenen van een verschuldigde belasting aan de afnemer van de prestatie. Door een in beginsel nogal inhalig overkomende woordkeus (‘alles wat’ of ‘het totale bedrag’) in de regelgeving rond de maatstaf van heffing, komen regelmatig vragen op naar de reikwijdte van deze formulering. Dat in de maatstaf van heffing volgens de Btw-richtlijn Volgens art. 83 Btw-richtlijn bestaat de maatstaf van heffing voor de intracommunautaire verwerving van goederen uit dezelfde elementen als die, welke in aanmerking worden genomen overeenkomstig art. 73 tot en met art. 82 Btw-richtlijn de maatstaf van heffing voor de levering van dezelfde goederen binnen het grondgebied van de lidstaat in kwestie te bepalen. in elk geval moeten worden opgenomen belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, maakt de problematiek niet eenvoudiger, omdat dit voorschrift erg absoluut is. Verder heeft de nationale regelgever de in de Wet OB 1968 geboden mogelijkheid benut te bepalen dat – met name – de uitschotten van belasting niet tot de maatstaf van heffing behoren, in die zin dat tot de vergoeding niet behoren de voor degene voor wie de dienst wordt bewezen aan belastingen en heffingen gedane uitschotten. Op het eerste gezicht staat dit laatste op gespannen voet met het voorschrift uit de Btw-richtlijn. Thans toon ik een tweede tronie, namelijk die van een uitleg door de nationale (hoogste) rechter die in strijd komt met de jurisprudentie van het HvJ. In de beschouwing wordt betrokken de in de Btw-richtlijn en de Wet OB 1968 opgenomen regel, dat in de maatstaf van heffing niet worden opgenomen door een ondernemer van de afnemer als terugbetaling van in naam en voor rekening van laatstgenoemde In art. 79 aanhef en onder c, Btw-richtlijn staat ‘laatstgenoemden’. Taalkundig begrijp ik dat niet. De meervoudsvorm is te verklaren, wanneer de voorloper van deze bepaling in de Zesde Richtlijn (art. 11, A, lid 2, aanhef en onder c) wordt bezien. Aldaar treffen we als ‘laatstgenoemden’ aan ‘de koper of de ontvanger’. gemaakte kosten ontvangen bedragen, die in de boekhouding van de ondernemer als doorlopende posten voorkomen. Wanneer enkel de tekst van de bepaling wordt bezien, zou de gedachte kunnen postvatten, dat de wijze van administreren door de belastingplichtige de doorslag geeft voor de kwalificatie. Als doorlopende post te kwalificeren kosten kunnen voorts zijn verhoogd met btw. Het zal duidelijk zijn, dat de ondernemer de op deze kosten drukkende belasting niet in aftrek brengt. De slotzin van art. 79 Btw-richtijn luidt: ‘De betreffende belastingplichtige moet het werkelijke bedrag van deze uitgaven verantwoorden en mag de eventueel daarop drukkende belasting niet in aftrek brengen.’ Wat de betekenis is van ‘eventueel’ ontgaat mij. Hij is dan immers niet de afnemer van de aan de doorlopende post(en) ten grondslag liggende prestatie.