TFB 2004, afl. 7 - Art. 6 EVRM en geschillen over enkelvoudige belasting
Aflevering 7, gepubliceerd op 01-11-2004 geschreven door Mr. W. StevensAnders dan de belastingplichtige die procedeert tegen een fiscale boete, heeft de belastingplichtige die in beroep gaat tegen zijn of haar belastingaanslag geen recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6, lid 1, EVRM.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Rome 4 november 1950, Trb. 1951, 154). Het opleggen van een – in ieder geval zwaardere (‘substantial’) – fiscale boete volgens het EHRMEuropese Hof voor de Rechten van de Mens. is aan te merken als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM, terwijl geschillen over belastingheffing volgens vaste rechtspraak geen ‘civil rights and obligations’ in de zin van deze bepaling betreffen.EHRM 24 februari 1994, zaak 12547/86 (Bendenoun/France), BNB 1994/175, m.nt. Wattel; EHRM 23 juli 2002, zaak 36985/97 (Västberga Taxi Aktiebolag and Vulic/Sweden), BNB 2003/2, m.nt. Feteris, resp. EHRM 9 december 1994, zaken 19005/91 en 19006/91, § 50 (Schouten and Meldrum/the Netherlands), FED 1995/380, m.nt. Koopman, BNB 1995/113, m.nt. Feteris; EHRM 12 juli 2001, zaak 44759/98 (Ferrazzini/Italy), NJCM-Bulletin 2002, p. 400-413, m.nt. Bender en Douma, V-N 2001/44.5. Ook de Hoge Raad wijst toepasselijkheid van art. 6, lid 1, EVRM in enkelvoudige belastingzaken af, zie bijv. HR 16 maart 1994, BNB 1994/305 en HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578.