Vastgoed Fiscaal & Civiel 2004, afl. 3 - Vastgoednieuws
Aflevering 3, gepubliceerd op 01-07-2004 geschreven door Mw.mr.drs. A. van Dijk en Mr. R.H. van DuivenbodenOnder de Wet IB 1964 waren vermogenswinsten behaald bij de verkoop van onroerende zaken in beginsel vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting. Een uitzondering op deze hoofdregel gold indien de verkoopopbrengst kwalificeerde als inkomsten uit andere arbeid, als bedoeld in art. 22, lid 1, onder b, Wet IB 1964. Onder de Wet IB 2001 is dit eigenlijk niet anders. In beginsel vallen beleggingen in onroerende zaken onder de forfaitaire rendementsheffing van box 3, tenzij sprake is van het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat. Alsdan is het normale, progressieve inkomstenbelastingtarief van box 1 van toepassing. Hierbij worden in de wet (art. 3.91, lid 1, onder letter c, Wet IB 2001) als voorbeelden van werkzaamheden die normaal vermogensbeheer te boven gaan genoemd: het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate zelf verrichten van groot onderhoud of het aanwenden van voorkennis.