Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005, afl. 2 - 4. Bruikleen kan opvolgend eigenaar binden
Aflevering 2, gepubliceerd op 01-04-2005 geschreven door Mw. mr.drs. A. van Dijk MRE en Mr. R. HogewindSinds 1905 (Hoge Raad Blaauboer/Berlips) staat vast dat persoonlijke rechten ten aanzien van een zaak een opvolgend eigenaar van die zaak in beginsel niet kunnen binden. Het beginsel ‘koop breekt geen huur’ maakt hierop een bekende uitzondering. Hof Den Haag heeft in een zeer specifiek geval uitgemaakt dat onder omstandigheden ook een bruikleenovereenkomst door een opvolgend eigenaar moet worden gerespecteerd (Hof Den Haag 10 december 2004, nr. 03/867). Het hof redeneert daartoe als volgt: redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een eigenaar die een bruikleenovereenkomst is aangegaan, een lange opzegtermijn in acht moet nemen om die bruikleen te beëindigen. Als dat niet gebeurt, pleegt hij wanprestatie jegens de bruikleners. Een koper van het desbetreffende pand maakt misbruik van deze wanprestatie als hij wist hoe de vork in de steel zat (in dit geval was volgens het hof relevant dat er wetenschap was van de lengte van de bruikleen en van de familierelatie tussen de vorige eigenaar en de bruikleners), wat een onrechtmatige daad oplevert. Het feit dat de opvolgend eigenaar aldus onrechtmatig handelde, brengt mee dat ook hij, hoewel strikt genomen niet gebonden aan een bruikleenovereenkomst, toch zo’n lange opzegtermijn in acht moet nemen en hij eerder geen ontruiming van de uitgeleende zaak kan vorderen. Opgemerkt zij nog dat het Hof eerst onderzocht of er sprake van huur kon zijn, en er of dus wellicht al via het adagium ‘koop breekt geen huur’ tot deze uitkomst kon worden geconcludeerd. Het hof heeft echter geconstateerd dat de betalingen die de bruikleners ten behoeve van de uitlener deden (het betrof vaak belastingschulden van de uitlener, die in het buitenland verbleef) niet als betaling voor het gebruik van de onroerende zaak konden worden aangemerkt, en deze bovendien onregelmatig waren en nimmer gelijk. De prijs was aldus niet bepaald, hetgeen voor het bestaan van huur vereist is.