Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005, afl. 3 - 2. Onroerende zaken met kenmerken van zowel voorraad als bedrijfsmiddel: wel afschrijven, geen herinvesteringreserve.
Aflevering 3, gepubliceerd op 01-06-2005 geschreven door Mr.drs. A. van Dijk en Mr. R. HogewindIn HR 1 april 2005 (nr. 38.973) was de volgende situatie aan de orde. Belanghebbende, X BV, hield zich bezig met beleggen in vastgoed en met projectontwikkeling. De onroerende zaken benoemde zij als ‘beleggingen in onroerend goed’ (bedrijfsmiddelen) respectievelijk ‘projecten in ontwikkeling’ (voorraad). In 1995 boekte zij meerdere panden over van ‘projecten’ naar ‘beleggingen’. De inspecteur was van mening dat de panden ten onrechte als bedrijfsmiddel werden aangemerkt en stond afschrijving op de panden alsmede de vorming van een vervangingsreserve niet toe. Hof Arnhem heeft als beleggingen (en dus niet als voorraad) aangemerkt de panden met een relatief lange bezitsduur (vanaf drie jaar), een hoge huurbezettingsgraad en hoge huren met vaak een lage vervreemdingswinst. Voor een bepaald beleggingspand heeft het hof naast een afwaardering naar lagere bedrijfswaarde een afschrijving toegestaan. Ter zake van de panden die als voorraad kwalificeerden heeft het hof de geboekte afschrijvingen alsmede de dotering aan de vervangingsreserve niet in aftrek toegelaten. Opvallend overigens is de uitspraak van het hof dat een eenheid die zo actief is met vastgoed als deze altijd wel een vervangingsvoornemen heeft.De Hoge Raad oordeelde dat de onderneming, zelfs indien het haar doel zou zijn om de in haar bezit zijnde onroerende zaken binnen afzienbare tijd met winst te verkopen, de onroerende zaken, in afwachting van dat moment, toch opbrengstgevend kan gebruiken. Die onroerende zaken hebben dan in de onderneming tegelijkertijd kenmerken van voorraad en van bedrijfsmiddel in de zin van het fiscale jaarwinstbegrip. Door het enkele feit dat de onroerende zaken in de onderneming worden gebruikt of zullen worden gebruikt, ligt het in de rede dat jaarlijks een last wordt genomen ter grootte van een voor een bedrijfsmiddel passend te achten afschrijving, ook al zou voor het overige de desbetreffende onroerende zaak niet kunnen worden behandeld als een bedrijfsmiddel. Indien echter een stelsel is gevolgd van waardering naar kostprijs verminderd met de afschrijvingen of naar lagere bedrijfswaarde, dan dient naar goed koopmansgebruik in de jaren volgend op de afwaardering naar lagere bedrijfswaarde de afschrijving op dat bedrijfsmiddel achterwege te blijven totdat de boekwaarde lager is dan de (opnieuw vastgestelde) bedrijfswaarde.De vervangingsreserve heeft ten doel te bevorderen dat boekwinsten, gemaakt doordat bedrijfsmiddelen uit de onderneming verdwijnen, voor de in het kader van de continuïteit van de onderneming nodige vervanging van die bedrijfsmiddelen beschikbaar blijven. De Hoge Raad oordeelde dan ook dat de vervangingsreserve slechts toepassing kan vinden ter zake van onroerende zaken die duurzaam aan de onderneming verbonden waren, en derhalve niet ter zake van onroerende zaken die werden aangeschaft met de overheersende bedoeling deze per eerstkomende, geschikte gelegenheid weer te verkopen. Zij zijn in zoverre gelijk te stellen aan zaken die voor de omzet zijn bestemd (voorraad) en komen niet in aanmerking voor de toepassing van de vervangingsreserve.