Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005, afl. 4 - 11. Onroerend of niet? Kenbaarheid naar buiten toe
Aflevering 4, gepubliceerd op 01-08-2005 geschreven door Mr. R. Hogewind MRE en Mw. mr. drs. A. van Dijk MREDe Hoge Raad deed op 13 mei jl. twee uitspraken over de vraag of a. een grondreinigingsinstallatie en b. een proefspoorbaan een onroerende zaak is in de zin van art. 3:3 BW. Uiteraard betrof het hier kwesties in het kader van de WOZ. Bij geval a. oordeelde de Hoge Raad dat de grondreinigingsinstallatie weliswaar naar bouw en ontwerp bedoeld is als mobiele installatie, maar op een betonnen plaat staat, minstens 120 ton weegt en voorts op gas- en overige nutsvoorzieningen is aangesloten. De Hoge Raad oordeelt dat de grondreinigingsinstallatie behoort tot het bedrijfscomplex, dat sinds 1986 is ingericht en in bedrijf is om ter plaatse grond te reinigen die van elders wordt aangevoerd. Daarom is ook de grondreinigingsinstallatie naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, en derhalve onroerend. De Hoge Raad constateert ten overvloede dat de bedoeling dat de installatie mobiel zou zijn, onvoldoende naar buiten kenbaar was. Bij geval b. oordeelde de Hoge Raad dat het hof had moeten onderzoeken of op basis van bijzonderheden van aard en inrichting van een proefvak voor de HSL (onderheid en voorzien van brug en hekwerken) naar buiten toe kenbaar was of deze bedoeld was om al dan niet duurzaam ter plaatse te blijven. Alleen omstandigheden die naar buiten toe kenbaar zijn, kunnen daarbij relevant zijn. Het hof had voorts moeten betrekken de stelling van de belastinginspecteur dat het proefvak bestanddeel van de grond was geworden aangezien deze niet met behoud van waarde kunnen worden verwijderd. Werken die bestanddeel zijn van de grond en daarmee hun zelfstandigheid hebben verloren zijn immers reeds om die reden onroerend, aldus de Hoge Raad (HR 13 mei 2005, nr. 37.523 resp. 39.429).