Vastgoed Fiscaal & Civiel 2013/22 - Ingrijpende verbouwing pand uit zeventiende eeuw leidt niet tot vervaardiging
Aflevering 2, gepubliceerd op 01-04-2013 geschreven door mw. mr.drs. A. van Dijk MRE en mr. T.S. de LangeEen bv heeft op 1 maart 2002 één derde van de onverdeelde eigendom van een uit de zeventiende eeuw stammend gebouw verkregen. In het gebouw bevinden zich een winkel en twee woningen. Het pand is (inwendig) verbouwd. Na de verbouwing zijn op de bovenverdieping drie woonappartementen met eigen toegang gecreëerd. Op de begane grond zijn drie naast elkaar gelegen winkelruimten ontstaan. Daarnaast is het dak vernieuwd en verhoogd, zijn raam- en deurkozijnen vervangen en zijn de drie winkeleenheden voorzien van een nieuwe pui en, aan de achterzijde van het gebouw, een uitbouw. Na gereedkomen van de verbouwing begin 2004, is het pand in februari 2004 gesplitst in zes appartementsrechten. De bv verkreeg twee appartementsrechten, te weten een winkelruimte met het daarboven gelegen woonappartement. De winkelruimte is met ingang van 1 april 2004, zonder btw, verhuurd en het appartement is op 1 november 2004 vrijgesteld van btw verkocht. Volgens de inspecteur is door de verbouwing een onroerende zaak vervaardigd met als gevolg dat bij de levering van het woonappartement btw berekend had moeten worden. Voor het winkelgedeelte is er volgens de inspecteur sprake van een zogenoemde btw-integratielevering. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat er geen sprake is van de vervaardiging van een onroerende zaak. De Hoge Raad deelt de conclusie van het Hof en heeft op 8 maart 2013 geoordeeld dat de vervaardiging van een goed inhoudt dat een goed wordt voortgebracht dat tevoren niet bestond. Voor een bestaand gebouw houdt dit volgens de Hoge Raad in dat slechts gesproken kan worden van vervaardiging indien door de werkzaamheden aan het gebouw in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Volgens de Hoge Raad hebben de aan dit gebouw verrichte werkzaamheden niet geleid tot de vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak.