Vastgoed Fiscaal & Civiel 2014/7 - Verhaal bestuursdwang op koper
Aflevering 1, gepubliceerd op 01-02-2014 geschreven door mw. mr.drs. A. van Dijk MRE en mr. T.S. de LangeRechtbank Middelburg oordeelde dat een gemeente kosten van tenuitvoerlegging van bestuursdwang ook kon verhalen op de koper van een onroerende zaak.De casus was als volgt: Koper (K) koopt van verkoper (V) in 2011 een onroerende zaak. V was toen reeds dwangsommen verschuldigd jegens de gemeente wegens illegale bouw alsmede voor de illegale opslag van asbesthoudend materiaal. V heeft die dwangsommen niet betaald. De gemeente beroept zich daarom op art. 5.18 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en vordert bij K zowel de door V verschuldigde dwangsommen als de kosten van de uitvoering van de bestuursdwang. K is het hier niet mee eens en stelt een procedure in. De rechtbank geeft de gemeente gelijk en wijst het verzoek van K af. De rechtbank overweegt onder meer dat zowel bij een bestuursdwangbesluit ingevolge art. 100e Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, als bij een krachtens art. 5.18 Wabo genomen besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang (of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet) bepaald kan worden dat dit besluit mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene aan wie dat besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger. In dat geval kan volgens de rechtbank het besluit jegens die rechtsopvolger of iedere verdere rechtsopvolger ten uitvoer worden gelegd en kunnen de kosten van die tenuitvoerlegging en een te innen dwangsom bij die rechtsopvolger of verdere rechtsopvolgers worden ingevorderd, dit alles ‘tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen naar het oordeel van burgemeester en wethouders verzetten’. De rechtbank oordeelde dat in de onderhavige casus niet expliciet was bepaald dat deze besluiten mede gelden jegens (een) rechtsopvolger(s). Naar het oordeel van de rechtbank echter kan niet worden volstaan met de enkele verwijzing naar de wetsartikelen, art. 100e Woningwet en art. 5.18 Wabo. Deze artikelen verplichten het bestuursorgaan immers volgens de rechtbank om (expliciet) te bepalen dat er zakelijke werking aan een besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom wordt verbonden. Daarnaast brengt de omstandigheid dat het hierbij om een discretionaire bevoegdheid van de gemeente gaat, volgens de rechtbank mee dat het handhavingsbesluit tevens een kenbare evenredige belangenafweging ter zake moet inhouden. Een dergelijke belangenafweging ontbreekt volgens de rechtbank in de handhavingsbesluiten. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden om de door de rechtsvoorganger van eiseres verbeurde dwangsommen en de kosten van tenuitvoerlegging van de bestuursdwang te kunnen innen bij eiseres. Reeds hierom komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de wet.De rechtbank oordeelde dat de in het kader van de besluitvorming tot invordering in acht te nemen zorgvuldigheid en redelijkheid meebrengen dat de gemeente na de eigendomsoverdracht aan K nogmaals had moeten trachten de verbeurde dwangsommen en de kosten van bestuursdwang bij V te innen. Eerst als dat niet gelukt was, had de gemeente kunnen besluiten om over te gaan tot invordering bij K. Voorts had de gemeente in dit geval met betrekking tot de verbeurde dwangsommen als bijzondere omstandigheid in aanmerking moeten nemen dat K onmiddellijk na de eigendomsoverdracht met de gemeente in overleg is getreden over hetgeen vereist was om alsnog aan de dwangsombesluiten van de gemeente te voldoen en dat naar aanleiding daarvan K alsnog een bouwvergunning gevraagd en verkregen heeft. Aldus is door toedoen van K alsnog een normconforme situatie bereikt. De rechtbank oordeelde dat daarom een onderscheid moest worden gemaakt tussen de dwangsommen enerzijds, die hoeft K niet te voldoen, en de kosten van de tenuitvoerlegging anderzijds. Ten aanzien van die kostenvergoeding oordeelde de rechtbank dat zij vooralsnog geen bijzondere omstandigheden ziet die zouden nopen tot het afzien van invordering bij K van die kosten. Dit omdat K, als K zich voorafgaande aan de openbare verkoping van het object bij de betreffende notaris nader had geïnformeerd, had kunnen weten dat de bestuursdwang ten uitvoer was gelegd en dat de betreffende kosten dus al door de gemeente waren gemaakt.