Vastgoed Fiscaal & Civiel 2014/66 - Is een verval van een kettingbeding een wijziging van veilingvoorwaarden?
Aflevering 6, gepubliceerd op 24-12-2014 geschreven door Lange, mr. T.S. deHof Amsterdam oordeelde recent ontkennend op de vraag of het (gaan) vervallen van een kettingbeding een wijziging is van veilingvoorwaarden. De casus was als volgt: Een aantal partijen (tezamen ‘A’) was eigenaar van een voormalig Rabo-bank-gebouw. Door de Rabobank was in het verleden middels een kettingbeding bedongen op grond waarvan in het betreffende pand geen nieuwe bank of financiële instelling mocht worden gevestigd. Ten behoeven van diezelfde Rabobank was door A een hypotheekrecht gevestigd in verband met bepaalde leningen. A schoot tekort onder die leningen en de Rabo wilde daarom tot executie overgaan op grond van dat hypotheekrecht. A was het daar niet mee eens. Op enig moment voorafgaande aan de veiling laat de bank zowel A als de notaris weten dat zij bereid is het betreffende kettingbeding te laten vervallen. De notaris wordt ook door de Rabo verzocht dit mede te delen aan de veilingbieders. Vervolgens klaagt A de notaris aan. Onder meer omdat zij vinden dat de notaris niet op de juiste wijze gemeld heeft dat het kettingbeding zal vervallen. Belangrijker nog, ze vinden dat de notaris de veiling had moeten uitstellen omdat dit verval van dat kettingbeding een wijziging van de veilingvoorwaarden is en een dergelijke wijziging zo kort voor de veiling niet is toegestaan. Immers art. 517 Rv bepaalt, kort samengevat, dat de veilingvoorwaarden 8 dagen voorafgaande aan een veiling bekend moeten zijn. Een wijziging van die voorwaarden vereist dan ook een nieuwe 8-daagse termijn zo stelt A. De rechtbank en het hof oordelen echter dat het verval van kettingbeding geen reden was om de veiling uit te stellen. Immers, zo stelde rechtbank en hof, het kettingbeding was niet een veilingvoorwaarde als bedoeld in genoemd artikel 517 Rv. A kreeg op dat punt dus niet gelijk.