Home

Gerechtshof Den Haag, 24-07-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1556, BK-24/732

Gerechtshof Den Haag, 24-07-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1556, BK-24/732

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24 juli 2025
Datum publicatie
25 augustus 2025
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:1556
Formele relaties
Zaaknummer
BK-24/732
Relevante informatie
Art. 9 BPM, Art. 10 BPM, Art. 16a BPM, Art. 19a BPM, Art. 8 Uitv.reg. BPM, Art. 110 VWEU, Art. 267 VWEU

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag bpm. Artikel 110 VWEU. Bevoegdheid van de nationale rechters om het Unierecht uit te leggen. Geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. Bevoegdheid tot naheffen en heffingsmodaliteiten. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. Handelsinkoopwaarde. Historische nieuwprijs. Geen verdere vermindering van de naheffingsaanslag door een geslaagd beroep op interne compensatie. Het vooraf heffen van griffierecht en het niet vergoeden van rente daarover is niet in strijd met het Unierecht. Geen hogere immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Aanpassing kostenvergoeding bezwaarfase.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/732

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

en

(vertegenwoordiger: [...] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 juni 2024, nummer SGR 22/7707.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.833 (de naheffingsaanslag).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot

€ 4.607 en een kostenvergoeding van € 269 toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

draagt verweerder op de naheffingsaanslag te verminderen rekening houdend met een handelsinkoopwaarde van € 22.480;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

-

veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 125;

-

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 875;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750;

-

draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;

-

draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen en het griffierecht te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser;

-

bepaalt dat de termijn voor vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiser.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht van € 279 geheven. De Inspecteur heeft op 2 mei 2025 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft op 27 mei 2025 en 11 juni 2025 nadere stukken ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 juni 2025. Partijen zijn verschenen. Ter zitting heeft belanghebbende een verminderingsbeschikking van 24 september 2024 overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 51 aan bpm voldaan ter zake van de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Golf Variant 2.0 TDI Highline (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 29 januari 2020.

2.2.

In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] van 19 november 2020 (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 39.865 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 20.666 (referentievoertuigen). De in het taxatierapport berekende schade van € 20.438 is hierop volledig in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde van de auto is als gevolg hiervan bepaald op € 228.

2.3.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor hertaxatie. Belanghebbende heeft de auto getoond op 30 november 2020. De bevindingen van DRZ zijn neergelegd in een rapport (rapport van DRZ) van 8 december 2020. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 46.789 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 25.866 (AutotelexPro). DRZ heeft een waardevermindering wegens schade toegepast van € 3.100 (72% van € 4.306), waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 22.766.

2.4.

Met dagtekening 14 juli 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende een zogenoemde “Kennisgeving naheffingsaanslag BPM” gezonden en hem daarbij medegedeeld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur heeft, op basis van het rapport van DRZ, de verschuldigde bpm berekend op € 4.987. De Inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen drie weken op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft niet gereageerd.

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot

€ 4.607 in verband met de toepassing van artikel 16a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) en een kostenvergoeding toegekend van € 269.

2.6.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak de Inspecteur opgedragen de naheffingsaanslag te verminderen rekening houdend met een handelsinkoopwaarde van

€ 22.480. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur een verminderingsbeschikking genomen. De naheffingsaanslag is hierin vastgesteld op een bedrag van € 4.549.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“5. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek op 15 februari 2022. Naar aanleiding van de mail van gemachtigde van eiser dat deze datum niet schikt, heeft verweerder een nieuwe datum voor de hoorzitting voorgesteld, te weten op 17 februari 2022. Verweerder heeft gemachtigde van eiser bij mail van 10 en 11 februari 2022 herinnerd aan dit hoorgesprek. Gemachtigde van eiser heeft op 17 februari 2022 niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek. Verweerder heeft op 17 februari 2022 telefonisch contact opgenomen met gemachtigde van eiser. Tijdens dat telefoongesprek heeft gemachtigde laten weten dat de medewerker van zijn kantoor met wie de afspraak voor de hoorzitting was gemaakt, niet aanwezig was. Vervolgens is het gesprek beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.

6. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

7. Eiser stelt dat de Bpm is strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022[1] is deze stelling onjuist.

8. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiser bij brief van 14 juli 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.

9. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit volgt ook niet uit artikel 67 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

10. Dat in de aangifte van een te hoge CO2-uitstoot is uitgegaan is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een lagere uitstoot uit te gaan.

11. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door DRZ is onderkend. Met het rapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Eiser heeft bovendien geen inkoopfactuur van de auto overgelegd, terwijl dat wel een aan een taxatierapport gestelde eis is en een inkoopfactuur relevante informatie kan bevatten over de staat van de auto[2].

12. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden.

13. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende.

14. Eiser heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd omdat DRZ voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde niet is uitgegaan van de koerslijst Eurotaxglass met een vermindering van 15% wegens bijstelling van de markt- en dealersituatie. De handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) zou dan uitkomen op € 22.505 volgens eiser in plaats van € 25.866 waar verweerder van is uitgegaan. Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016[3] volgt dat het een belastingplichtige is toegestaan om bij het aanwenden van rechtsmiddelen te kiezen voor een andere in of bij de Wet BPM voorziene methode ter bepaling van de afschrijving dan waarvan bij de aangifte is uitgegaan, dan wel een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de BPM, mits voor het vaststellen van de juistheid ervan geen (tweede) controle van het voertuig nodig is zodat een vergelijking van de aangedragen gegevens en de bij de aangifte gebruikte gegevens volstaat om vast te stellen of het bij de aangifte gebezigde afschrijvingspercentage te laag is geweest. Op basis van dit arrest heeft de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt met dezelfde strekking gepubliceerd[4], waarin ook is vastgelegd dat de door belanghebbende voorgestane correcties mogen worden toegepast. In het DRZ rapport is een koerslijst Eurotaxglass’s aanwezig. Op grond van het voorgaande mag eiser een beroep doen op de koerslijst van Eurotaxglass’s met toepassing van de correctie markt- en dealersituatie. Voor aftrek van schade is dan geen plaats. Rekening houdend met de correctie markt- en dealersituatie stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde vast op € 22.480 (€ 26.447 x 85%).

15. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard.

16. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 21 september 2021 door verweerder ontvangen en de rechtbank doet op 20 juni 2024 uitspraak. De bezwaar- en beroepsfase heeft derhalve twee jaar en bijna 8 maanden geduurd, zodat de redelijke termijn met bijna 8 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 16 november 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 7/8 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 1/8 aan de beroepsfase.

17. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Uit de overgelegde machtiging volgt dat schadevergoedingen aan de gemachtigde moeten worden uitbetaald, maar niet dat ze aan hem toekomen. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin gerechtshof Den Haag op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan[5]. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Daarvan dient € 875 door verweerder te worden vergoed en € 125 door de Staat. Aan het arrest van het EHRM van 29 maart 2006[6] kan in dit geval geen aanspraak op een hogere vergoeding worden ontleend.

Proceskosten

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding.

19. Nu het beroep gegrond is verklaard, dient het door eiseres betaalde griffierecht te worden vergoed. De stelling dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van onderliggende vordering behoeft geen behandeling. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiser wordt uitbetaald.

20. Bovengenoemde vergoedingen dienen op grond van artikel 19a, vierde lid, van de Wet Bpm uitsluitend plaats te vinden op een bankrekening die op naam staat van eiser. De rechtbank acht deze bepaling niet in strijd met enige verdragsrechtelijke bepaling.

[1] ECLI:NL:HR:2022:1277

[2] Vgl. ECLI:NL:GHDHA:2023:684

[3] Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:421

[4] Publicatiedatum 26 mei 2023, KG:013:2023:5

[5] ECLI:NL:GHAMS:2023:1451

[6] ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing