Gerechtshof Den Haag, 11-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2672, BK-21/1022 tot en met BK-21/1026
Gerechtshof Den Haag, 11-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2672, BK-21/1022 tot en met BK-21/1026
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 december 2025
- Datum publicatie
- 14 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:4008, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-21/1022 tot en met BK-21/1026
- Relevante informatie
- Art. 10 Wet DB, Art. 21 VWEU, Art. 45 VWEU, Art. 63 VWEU, Art. 5 Wet Vpb 1969, Art. 8:42 Awb
Inhoudsindicatie
Teruggaaf van dividendbelasting. Art. 1, lid 1, Wet Db en art. 25 Wet Vpb. Art. 8:42 Awb; Inspecteur heeft niet verzuimd gedingstukken te overleggen. Britse unit-linked verzekeraar is geen opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde (vgl. HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49, BNB 2024/36). Toepassing van Engels giraal effectenrecht. Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel niet geschonden. Non-discriminatiebepaling Verdrag 1980 niet van toepassing. Geen anticiperende werking Verdrag 2008.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-21/1022 tot en met BK-21/1026
Uitspraak van 11 december 2025
in het geding tussen:
[X] Limited te [Z] (Verenigd Koninkrijk), belanghebbende,
(gemachtigden: F.P.G. Pötgens, M.L. Al-Saady, P.A Spijker en Y.Z. Wu)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordigers: [...] en [...] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 5 augustus 2021, nummers BRE 20/7293 tot en met BRE 20/7297.
Procesverloop
1.1. Belanghebbende heeft voor de jaren 2005, 2006 en 2007 aangiften vennootschapsbelasting ingediend en – voor, onder meer, de jaren 2009 en 2010 – verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting. Aldus heeft belanghebbende op 23 december 2008 respectievelijk 17 december 2012 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting voor de genoemde jaren. Het gaat om de volgende bedragen:
- het jaar 2005 tot een bedrag van € 5.857.006 (BK-21/1022);
- het jaar 2006 tot een bedrag van € 3.450.550 (BK-21/1023);
- het jaar 2007 tot een bedrag van € 19.173.039 (BK-21/1024);
- het jaar 2009 tot een bedrag van € 26.574.779 (BK-21/1025);
- het jaar 2010 tot een bedrag van € 16.640.897 (BK-21/1026).
1.2. De Inspecteur heeft de in 1.1 bedoelde verzoeken (waaronder de als verzoeken opgevatte aangiften vennootschapsbelasting) afgewezen bij beschikking van 25 maart 2016.
1.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggave van dividendbelasting gemaakte bezwaren, alsmede het verzoek om vergoeding van gederfde rente afgewezen.
1.4.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van éénmaal € 354.
1.4.2. In haar nader stuk van 11 juni 2021 heeft belanghebbende de in 1.1 vermelde bedragen voor de jaren 2009 en 2010 aangepast tot respectievelijk € 22.515.469 en € 12.849.430.
1.4.3. De Rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 1.122;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan haar vergoedt.”
1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 541.
1.6. Bij verwijzingsbeslissing van 14 oktober 2021 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de zaken op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaken.
1.7. In de motivering van het hogerberoepschrift van 11 november 2021 heeft belanghebbende de in 1.1 vermelde bedragen voor de jaren 2005 tot en met 2007 aangepast tot respectievelijk € 5.857.758, € 3.582.666 en € 19.557.144.
1.8. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.9.1. Bij brief van 6 september 2022 heeft de Inspecteur een op 4 juli 2022 van belanghebbende ontvangen verzoek om op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stukken te overleggen, doorgestuurd aan het Hof. Bij deze brief heeft de Inspecteur tevens zijn reactie op vorenbedoeld verzoek van belanghebbende gevoegd.
1.9.2. Bij brief van 20 september 2022 heeft belanghebbende gereageerd op de reactie van de Inspecteur.
1.10.1. Vervolgens is op 16 maart 2023 besloten de zaken aan te houden in verband met de beslissing van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) is verzocht een prejudiciële beslissing te geven. Zowel belanghebbende (brief van 20 december 2022) als de Inspecteur (brieven van 21 december 2022, 13 januari 2023 en 10 februari 2023) heeft zich uitgelaten over het aanhouden van de zaken.
1.10.2. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 7 november 2024, XX, C-782/22, ECLI:EU:C:2024:932, BNB 2025/23 (het arrest XX), waarbij vorenbedoelde prejudiciële beslissing is gegeven. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt.
1.11.1. Bij brief van 27 februari 2025 heeft belanghebbende – onder verwijzing naar haar brief van 20 september 2022 (zie 1.9.2) – gemotiveerd gesteld dat de in die laatstbedoelde brief nader aangeduide stukken op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb door de Inspecteur in het geding dienen te worden gebracht.
1.11.2. Bij bericht van 20 mei 2025 is de Inspecteur verzocht de gevraagde stukken binnen twee weken in het geding te brengen.
1.11.3. Bij brief van 4 juni 2025 heeft de Inspecteur de gevraagde stukken (deels) verstrekt en voor een aantal stukken (te weten: de hierna in 5.2 onder (vii) bedoelde overeenkomsten met [Bank 1] ) een beroep gedaan op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb.
1.11.4. Het dossier is daarop in handen gesteld van een geheimhoudingskamer van dit Hof.
1.12.1. De Inspecteur heeft bij brief van 6 juni 2024 drie overeenkomsten met [Bank 1] (bijlagen A, B en C, met bijbehorende bijlagen) overgelegd aan de geheimhoudingskamer en daarbij verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb.
1.12.2. Bij beslissing van 13 juni 2025 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek om beperkte kennisneming afgewezen, met uitzondering van bijlage A (met bijlagen) en van de data en de namen en handtekeningen van ambtenaren en medewerkers van [Bank 1] in de bijlagen B en C.
1.12.3. De Inspecteur heeft bij brief van 18 juni 2025 bijlagen B en C alsnog in het geding gebracht en een geschoonde versie daarvan aan belanghebbende verstrekt, waarbij de data en de namen en handtekeningen van ambtenaren en medewerkers van [Bank 1] zijn weggelakt.
1.12.4. Belanghebbende heeft bij brief van 18 juni 2025 toestemming verleend om mede op grondslag van de stukken en gegevens ten aanzien waarvan door de Inspecteur een terecht beroep op beperkte kennisneming is gedaan, uitspraak te doen.
1.13. Het Hof heeft, nadat gebleken was dat de door de Inspecteur bij de Rechtbank ingediende aanvullende pleitnota en de door belanghebbende bij de Rechtbank ingediende pleitnota zich niet in de dossiers bevonden, partijen verzocht deze stukken nogmaals in te dienen, wat belanghebbende op 6 juni 2025 en de Inspecteur op 27 juni 2025 heeft gedaan.
1.14. Van de zijde van de Inspecteur is op 13 juni 2025 een nader stuk ontvangen. Van de zijde van belanghebbende is eveneens op 13 juni 2025 een nader stuk ontvangen. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.
1.15. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 26 juni 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De Inspecteur heeft ter zitting drie bijlagen bij de vooraf ingediende pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1. Belanghebbende is een naar het recht van Engeland en Wales opgerichte en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap. De enige aandeelhouder van belanghebbende is een eveneens in het Verenigd Koninkrijk gevestigde, beursgenoteerde vennootschap.
2.2. Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd als verzekeringsmaatschappij. Zij valt in de onderhavige jaren onder de werkingssfeer van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering en zij beschikt over vergunningen om te opereren als verzekeraar en om te opereren namens pensioenfondsen en verzekeraars. Zij sluit – vrijwel uitsluitend met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde institutionele pensioenverzekeraars (de polishouders) – overeenkomsten die worden aangeduid als ‘unit-linked polissen’. De overeenkomsten tussen belanghebbende en de polishouders strekken ertoe dat belanghebbende de van de polishouders ontvangen bedragen belegt teneinde beleggingsrendementen te genereren. Het (pensioen)verzekeringsrisico ter zake van tussen de polishouders en derden gesloten pensioenovereenkomsten berust bij de polishouders (behoudens de mogelijkheid voor de polishouders om bij belanghebbende een annuïteit te bedingen; zie onderdeel 8 van het hierna onder 2.3.4 opgenomen citaat).
2.3.1. Belanghebbende voert haar activiteiten uit door de pensioenverzekeraars de mogelijkheid te bieden door middel van het aankopen van unit-linked polissen deel te nemen aan het door belanghebbende opgerichte zogeheten Pooled Pensions Fund (PPF).
2.3.2. Het PPF is administratief onderverdeeld in verschillende subfondsen (‘PF Sections’; ook wel: effectenmandjes) met elk een eigen risico- en investeringsprofiel. De PF Sections zijn administratief gescheiden fondsen en hebben geen rechtspersoonlijkheid. De van de polishouders ontvangen inleggelden worden toegewezen aan een of meer gekozen PF Sections, in ruil waarvoor aan de polishouders, afhankelijk van de ‘Offer Price’, een aantal ‘units’ wordt toebedeeld. Een samenstel van units wordt als polis aangeboden.
2.3.3. De inleggelden in de PF Sections worden door belanghebbende belegd, onder andere in aandelen. Bij de bepaling van de aard van de beleggingen wordt rekening gehouden met de vooraf met de polishouders afgesproken risicoprofielen binnen de desbetreffende PF Section. Dividenden en andere opbrengsten die worden ontvangen uit de beleggingen worden binnen dezelfde PF Section geherinvesteerd. Polishouders kunnen, behoudens de vaststelling van het risicoprofiel, de daadwerkelijke beleggingen niet beïnvloeden. Zij hebben een aanspraak op de waarde die de units van hun polis vertegenwoordigen, aangezien zij de units tegen de ‘Bid Price’ kunnen verzilveren.
2.3.4. Tot de stukken van het geding behoort de ‘Pooled Fund Policy: Standard Conditions (First Edition) (As Amended)’ (de Policy) van belanghebbende die daarin wordt aangeduid als ‘the Company’. De Policy bevat onder meer de volgende bepalingen:
“4. Consideration payable
4.1 Consideration may be paid in accordance with the Policy by the Policyholder to the Company on any Dealing Day while the Policy is in force. (...)
4.2 The Policyholder must select how the Consideration is to be allocated between PF Sections. (...) If no instruction has been given to the Company in respect of any payment of Consideration by the time any notice is required to be given for a particular payment of further Consideration, no allocation will be made and the Consideration will be returned to the Policyholder.
(...)
5. Nature of Units, PF Sections etc.
5.1 The Long Term Fund is a single fund divided among a number of sections each of which is administered as a separate account within the Long Term Fund. The Company will maintain accounting and other records necessary to identify the PF Sections and the Management Section.
5.2 Each PF Section is notionally divided into Units of such classes and on such terms as the Company may from time to time determine. In any PF Section, Units may be subdivided and allocated as fractions of a Unit.
(...)
5.4 The benefits under the Policy will be expressed in terms of Units which are allocated to the Policy as described in Condition 6. Such allocation of Units is made only for the purposes of calculating benefits and measuring the Company’s liability to Policyholders and does not affect the ownership of the assets of the PF Sections which remain the absolute property of the Company. Nothing in the Policy shall create a trust or charge in favour of the Policyholders or any other person or persons or fetter in any way the beneficial ownership of the Company in the assets comprising the Long Term Fund or its ability to exercise its powers in relation thereto.
(...)
5.8 The Company has complete discretion over the choice of Investments allocated to each PF Section, subject to the Investments being consistent with the objectives of each PF Section as laid down from time to time by the Company. The achievement of any objective specified by the Company for a PF Section is not guaranteed.
(...)
5.12 The investment income from the assets and any other proceeds of, or arising from, the assets attributed to a PF Section will be retained in and invested in that PF Section as they arise, except that the profits from any stock-lending transaction (which for these purposes includes a transaction which is economically equivalent to a lending of assets although it involves their outright transfer) may be retained for the Company’s account (but if not will be allocated to the relevant PF Section). The Company may withdraw assets from a PF Section to meet all charges, expenses, Taxes, levies, regulatory fees, reinsurance premiums and other outgoings which it, in its reasonable discretion, considers appropriate to charge to that PF Section in order to maintain the reasonable expectations of all holders of contracts of insurance business related to the Long Term Fund.
(...)
5.14 Nothing contained in the Policy shall constitute the Company an agent of the Policyholder or of any other person or persons for any purpose whatsoever.
(...)
5.16 On each Dealing Day on which the total number of Units of a PF Section allocated to all Policies increases new Units are (subject to Sub-Condition 6.3) created at the Offer Price. An amount will be transferred from the Management Section to that PF Section equal to the appropriate Offer Price multiplied by the number of new Units created except to the extent that Units are cancelled or created on the transfer of assets.
5.17 Conversely, on each Dealing Day on which the total number of Units of a PF Section allocated to all Policies decreases Units are (subject to Sub-Condition 6.3) cancelled at the Bid Price and (except to the extent that Units are cancelled or created on the transfer of assets) an amount will be transferred from that PF Section (on that Dealing Day or as soon as the settlement of sales of underlying securities permits) to the Management Section equal to the appropriate Bid Price multiplied by the number of Units cancelled.
(...)
6. Unit Allocation
(...)
6.2 Subject to Sub-Condition 6.3, Units will normally be allocated at the Offer Price on the Dealing Day on which the Units are allocated if the Consideration is cash. In the absolute discretion of the Company and subject always to Sub-Condition 4.7.2, Units may instead be allocated at Mid Price where Consideration is received in specie.
6.3 All allocations and surrenders (and any creation or cancellation) of Daily Priced Units in a particular PF Section which take place on the same Dealing Day will be effected at the same price and that price will be:
6.3.1 the Offer Price if there is a net inflow of funds (leaving the creation or surrender of Units on a transfer of assets out of account for these purposes) to that PF Section such that Units in that PF Section are created under Sub-Condition 5.16 on that Dealing Day;
6.3.2 the Bid Price if there is a net outflow of funds (leaving the creation or surrender of Units on a transfer of assets out of account for these purposes) from that PF Section such that Units in that PF Section are cancelled under Sub-Condition 5.17 on that Dealing Day;
6.3.3 Mid Price in all other cases.
7 Surrender of Units
The Policyholder may (subject to the provisions of the Policy) elect to surrender on a Dealing Day such number of Units as it may determine. In consideration of such surrender the Company shall, subject to Sub-Conditions 6.3, 7.6, 7.7 and 7.8 (and as soon as practicable and in accordance with the terms of the Policy), pay a cash sum equal to the product of the number of Units of each PF Section surrendered and the respective Bid Price relating thereto. The Company reserves the right not to give effect to such election until it has received the original of any notice under this Sub-Condition 7.1.
(...)
8. Annuity Option
If the Policyholder is or is about to become liable to pay a pension or similar payment under the Scheme, the Policyholder may require the Company to provide an annuity on its then current standard conditions or such other terms as the Company is willing to offer the Policyholder at that time.
The Company shall, on request, provide a quotation for an annuity to the Policyholder.
(...)
SCHEDULE ONE
Definitions and Interpretation
General Definitions
In the Policy except where the context otherwise requires the following expressions shall have the following meanings:
Bid Price: in relation to a Unit in a given PF Section on any given Dealing Day, the amount equal to Bid Value in relation to that PF Section on that Dealing Day divided by the total number of Units in that PF Section in credit immediately before such Dealing Day;
Bid Value: in relation to any PF Section, the value calculated as set out in Section I of Schedule Two;
(...)
Consideration: an investment (in cash or specie) received from the Policyholder to establish a benefit under the Policy by reference to Units in the PF Sections;
(...)
Dealing Day: in relation to any PF Section, any day which the Company shall determine and notify to Policyholders as a day on which Units in that PF Section may be created or cancelled;
(...)
Long Term Fund: the long term fund maintained by the Company;
Management Section: that part of the Long Term Fund which is not represented by the PF Sections;
Mid Price: in relation to a Unit the price which is calculated in the same way as Bid Price and Offer Price except that no account is taken of the costs of buying or selling Investments and the value of investments shall be calculated in such a way as to eliminate any spread between the buying and selling prices of Investments;
(...)
Offer Price: in relation to a Unit in a given PF Section on any given Dealing Day, the amount equal to Offer Value in relation to that PF Section on such Dealing Day divided by the total number of Units in that PF Section in credit immediately before such Dealing Day;
Offer Value: in relation to any PF Section, the value calculated as set out in Section II of Schedule Two;
(...)
PF Section: any one of the sub-funds (or internal linked funds) of the Long Term Fund (other than the Management Section) which are designated by the Company as PF Sections and which determine the benefits received by Policyholders;
(...)
Policyholder: the person to whom the Policy is granted, and Policyholders refers to the holders from time to time of all policies issued by the Company on its Long-Term Fund;
(...)
Unit: a unit as described in Sub-Condition 5.2.”
In Schedule Two wordt de berekening van de Bid Value en Offer Value uitgewerkt. Het gaat hierbij – zakelijk weergegeven – telkens om de marktwaarde van de investeringen in een bepaalde PF Section op de voorafgaande dag, verminderd met transactiekosten. Ook wordt gecorrigeerd voor aan de PF Section toerekenbare vorderingen (inclusief dividendvorderingen), schulden en kasmiddelen.
Belanghebbende ontvangt voor haar management- en beheerswerkzaamheden een vergoeding. De aan de polishouders in rekening gebrachte vergoeding is gelijk aan een percentage van de waarde van de beleggingen. Het percentage van de beheersvergoeding varieert per PF Section per jaar. De vergoeding van belanghebbende komt ten laste van de fondsen.
Belanghebbende besteedt de feitelijke beleggingswerkzaamheden uit aan [Limited 1] en [Limited 2] , beide zustervennootschappen van belanghebbende, die daarvoor een vergoeding ontvangen.
Tot de bezittingen van belanghebbende behoorden in de onderhavige jaren aandelen in beursgenoteerde vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd (de aandelen). Belanghebbende beschikte over een effectendepotrekening (effectendepot) bij twee in het Verenigd Koninkrijk gevestigde banken/bewaarders, [Bank 2] ; voorheen: [Bank 2-a] ) en [Bank 1] . De aandelen zijn in vorenbedoelde effectendepots geplaatst. In de onderhavige jaren zijn op de aandelen dividenden uitgekeerd, waarop – per saldo – 15 percent Nederlandse dividendbelasting is ingehouden.
De voorwaarden waaronder [Bank 2-a] aan belanghebbende diensten verleende ter zake van de effectendepots waren opgenomen in een ‘custody agreement’ van 3 juni 1999. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“1. DEFINITIONS
In this agreement:
(...)
Foreign Securities” means Securities issued by non-UK issuers.
(...)
Securities” means any investments (as defined from time to time in the Financial Services Act 1986), including but not limited to shares, stocks, derivatives, bonds, securities or other similar property (including evidence of securities or title thereto and all rights in respect thereof) held by the Bank for the Client pursuant to this Agreement.
(...)
UK Securities” means Securities issued by UK issuers.
(...)
3. CUSTODY OF THE PROPERTY
(...)
All Securities will be recorded in the books of the Bank in one or more custody accounts (the “Custody Account”) as Securities deposited or transferred by or on behalf of the Client with or to the Bank or a sub-custodian or collected by the Bank or a sub-custodian for the account of the Client.
(...)
The Bank will hold the Securities on trust for the Client and identify in its records that the Securities belong to the Client (unless otherwise agreed with the Client). The Bank will require any sub-custodian to identify in its records that the Securities (together with the securities of other clients of the Bank) belong to clients of the Bank.
For the avoidance of doubt, the only duties of the Bank in respect of the Securities shall be to hold the Securities (or its rights or interests in respect of them) for the Client in accordance with this Clause 3 and to perform the duties set out in this Agreement.
Although the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property, the Bank may commingle the Securities with securities held for other clients. For the avoidance of doubt it is agreed that where such pooling does take place the Client shall be treated as the beneficial owner of such proportion of the relevant securities, as the number of its Securities bears to the total number of securities held. In this case the Client’s redelivery rights in respect of the Securities are not in specie but rather in respect of securities of the same number, class, denomination and issue as those originally deposited with the Bank.
Registrable UK Securities will be registered as the Bank may direct in the name of a nominee company of the Bank. Registrable Foreign Securities will be registered as the Bank may direct in the name of either a nominee of either the Bank or a sub-custodian, the Client or if the Client is not the beneficial owner of the Securities but an authorised person acting on behalf of the beneficial owner, the beneficial owner or where permitted by the SFA rules in the name of the Bank or a sub-custodian. Under SFA rules Securities may only be registered in the name of the Bank or a sub-custodian where, due to the nature of the law or market practice of an overseas jurisdiction, it is in the Client’s best interests or it is not feasible to do otherwise. The Client acknowledges that although as stated in clause 3.6 the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property, where the Securities are registered in the Bank’s name in the event of the Bank’s default the Client may not be as well protected as if the Securities had been registered in a different name.
(...)
7. VOTING
All voting rights in respect of the Securities will be exercisable by or at the direction ofthe Client.
The Bank will, provided it has received timely instructions to do so, complete proxies enabling either the Client or its designated agent to exercise the voting rights or to give effect to the Client’s wishes concerning the exercise of the voting rights and will forward the same to the person specified in the appropriate notice.
The Bank will not be liable to the Client for any losses suffered as a result of the benefit of corporate actions not being obtained or voting rights not being exercised provided that the Bank has used all reasonable endeavours to forward the Client’s instructions to the appropriate recipient.
8 INTEREST, DIVIDENDS AND OTHER INCOME ENTITLEMENTS
Subject to Clause 8.3 below interest, dividends and other incomeentitlements due to the Client (“Income”) will be collected, processed and credited to a bank account in the name of the Client either on the contractual payment date of income or on the date of actual receipt of cleared funds in accordance with the Operational Service Standards.”
De voorwaarden waaronder [Bank 2] aan belanghebbende diensten verleende ter zake van de effectendepots waren opgenomen in een ‘custody agreement’ van 3 maart 2006. Daarin was onder meer het volgende opgenomen:
“1. DEFINITIONS
In this Agreement:
(...)
Income” means dividends, interest payments and other entitlements accruing to the Client in respect of the Property.
(...)
Securities” means any safe custody investments and custody assets, including but not limited to shares, stocks, debentures, derivatives, bonds, warrants, securities or other similar property (including evidence of, title to and all rights in respect of such safe custody investments and custody assets) held by the Bank for the Client pursuant to this Agreement.
(...)
3. CUSTODY OF THE PROPERTY
(...)
All Securities will be recorded in the books of the Bank in one or more custody accounts (the “Custody Account”) as Securities held on behalf of the Client by the Bank or a Sub-Custodian.
(...)
The Bank will identify in its records that the Securities belong to the Client (unless otherwise agreed with the Client). The Bank will require Sub-Custodians to identify in their records that the Securities (together with the securities of other clients of the Bank) belong to clients of the Bank.
For the avoidance of doubt, the only duties of the Bank in respect of the Securities shall be to hold the Securities (or its rights or interests in respect of them) for the Client in accordance with this Clause 3 and to perform the duties set out in this Agreement.
Although the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property except in the limited circumstances permitted under Clause 3.7(d), the Bank may commingle the Securities with securities held for its other clients. For the avoidance of doubt it is agreed that where such pooling takes place the Client shall be treated as the beneficial owner of such proportion of the relevant securities, as the number of its Securities bears to the total number of securities held. In this case the Client’s redelivery rights in respect of the Securities are not in specie but rather in respect of securities of the same number, class, denomination and issue as those originally deposited with the Bank.
Registrable Securities will be registered as the Bank may direct in the name of:
(a) a nominee company controlled by (i) the Bank, (ii) a Sub-Custodian, (iii) a Clearing System or its common depositary, (iv) an affiliated company of the Bank, or (v) a recognised investment exchange or designated investment exchange; or
(b) the Client; or
(c) if the Client is an authorised person acting on behalf of its own client, the client of the Client; or
(d) the Bank, a Sub-Custodian or Clearing System where permitted in Schedule 1.
The Client acknowledges that, although as stated in Clause 3.6 that the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property except in the limited circumstances permitted under Clause 3.7(d), where Securities are registered or recorded in the Bank’s name (which may occur from time to time) they may not be segregated from the designated investments of the Bank and in the event of the Bank’s insolvency the Client’s assets may not be as well protected from claims made on behalf of the general creditors of the Bank.
(...)
7. VOTING
All voting rights in respect of the Securities will be exercisable by the Client or in accordance with Instructions.
Unless the Bank at its complete discretion agrees to exercise the voting rights on behalf of the Client in accordance with timely Instructions to do so, the Bank or its agent will, provided it has received Instructions in time to do so, complete proxies enabling either the Client or its designated agent to exercise the voting rights or to give effect to the Client’s wishes concerning the exercise of the voting rights and will send the completed proxies to the person specified in the appropriate notice.
Subject to Clauses 16.2 and 16.3, the Bank will be liable to the Client for losses arising directly from the failure of the Bank or a Sub-Custodian to perform its duties relating to voting rights in accordance with Clauses 6.1 and 7.2; provided that where the Bank or a Sub-Custodian has sent the necessary advice or completed proxies to the appropriate recipient, the Bank shall not be liable to the Client for any losses suffered as a result of the voting rights not being exercised for any reason including, without limitation, as a result of any non-receipt or delay in delivery of such advice or completed proxies.
8 INCOME
Subject to Clause 8.3 below, Income will be collected and processed by the Bank. Income will be credited to a bank account in the name of the Client either on the contractual payment date of Income or on the date of actual receipt of cleared funds in accordance with the Bank’s operational service standards.
(...)
SCHEDULE 1 - LOCAL LEGAL, REGULATORY AND OPERATIONAL PROVISIONS
This Schedule contains local legal, regulatory and operational provisions which apply to the Bank (as additional sub-clauses in the corresponding clauses in the Agreement where applicable) in the provision of the Services.
(...)
CLAUSE 3 (CUSTODY OF THE PROPERTY)
(...)
B. For the purposes of Clause 3.4, the Bank will hold U.K. Securities in trust for the Client.”
De beleggingen in de effectenmandjes zijn vermeld op de balansen in jaarrekeningen van belanghebbende (‘assets held to cover linked liabilities’). De desbetreffende aandelen worden gewaardeerd op de reële waarde (fair value). De (uiteindelijke) verplichtingen jegens polishouders worden opgenomen in de technische voorziening (‘technical provisions for linked liabilities’) en eveneens gewaardeerd op de reële waarde. Mutaties in de waarde van op de reële waarde gewaardeerde beleggingen en overig beleggingsrendement (in de vorm van rentebaten) leiden, behoudens aan belanghebbende en aan haar gelieerde groepslichamen toekomende vergoedingen en ondergeschikte kosten, tot dienovereenkomstige mutaties in de hoogte van de technische voorziening.
Alle voordelen die belanghebbende behaalt met de beleggingen die behoren tot de unit-linked fondsen behoren – in beginsel – tot haar belastbare grondslag in het Verenigd Koninkrijk. Als last wordt een aftrek geaccepteerd die correspondeert met de verplichtingen van belanghebbende ten opzichte van de polishouders in verband met de beleggingsresultaten. Op deze wijze wordt belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk per saldo slechts in de belastingheffing betrokken voor het resultaat dat zij behaalt met het (doen) managen van het PPF. Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk aldus onderworpen aan de heffing van winstbelasting. Zij kan in het Verenigd Koninkrijk zeer beperkte aanspraak maken op verrekening van Nederlandse dividendbelasting.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“(...)
Wettelijk kader
Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (de Wet DB) wordt, samengevat en voor zover van belang, aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, teruggaaf verleend van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, tenzij de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de opbrengsten waarop de dividendbelasting is ingehouden. Met ingang van 1 januari 2007 is in artikel 10 van de Wet DB geregeld dat, voor zover van belang, de teruggaveregeling van het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een lichaam dat in een andere lidstaat van de EU is gevestigd en aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.
In Nederland gevestigde pensioenlichamen die voldoen aan de in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de Wet Vpb) gestelde voorwaarden zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Aan hen wordt, als zij aan de overigens gestelde voorwaarde voldoen, teruggaaf verleend van dividendbelasting op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet DB.
Opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden
Belanghebbende stelt dat zij de opbrengstgerechtigde en de uiteindelijk gerechtigde is tot de hier aan de orde zijnde dividenden.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet is aan te merken als opbrengstgerechtigde van de dividenden waarover de dividendbelasting is geheven waarop de teruggaafverzoeken betrekking hebben. Zo dat wel het geval is, stelt de inspecteur dat belanghebbende niet is aan te merken als uiteindelijk gerechtigde van die dividenden.
Bij de beoordeling van het geschil zal de rechtbank in het hiernavolgende veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat belanghebbende moet worden aangemerkt als de opbrengstgerechtigde en de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden waarop de hier aan de orde zijnde dividendbelasting is ingehouden.
Drukvergelijking
Belanghebbende stelt, met een beroep op het Unierecht, dat recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een met haar vergelijkbare ingezeten belastingplichtige die is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting (drukvergelijking). Daarbij is naar de mening van belanghebbende het enge kostenbegrip dat is gedefinieerd in het arrest Société Générale SA[1] niet leidend omdat dit ten onrechte is gebaseerd op het arrest Commissie/Duitsland[2], onverenigbaar is met eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)[3] en is achterhaald door latere rechtspraak van het HvJ EU.[4] Volgens belanghebbende staat – gelet op de afspraken met polishouders – tegenover de waardeaangroei in verband met de ontvangen dividenden een even grote stijging van haar verplichting aan haar polishouders. Volgens belanghebbende moet die verplichting in het kader van de drukvergelijking worden aangemerkt als een financieringslast.
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen. Als een zodanige verboden maatregel kan worden aangemerkt een regeling die ertoe leidt dat de belastingdruk op een bepaald inkomensbestanddeel van een buitenlandse belastingplichtige hoger is dan die van een met hem of haar vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Voor de beoordeling of een wettelijke regeling verenigbaar is met artikel 63 van het VwEU, is het aan de rechtbank na te gaan of voor de onderhavige dividenden de toepassing op belanghebbende van een dividendbelasting van – per saldo – 15 percent ertoe leidt dat voor haar uiteindelijk in Nederland de belastingdruk zwaarder is dan voor ingezetenen voor dezelfde dividenden.[5]
De rechtbank overweegt dat in het door belanghebbende genoemde arrest Société Générale SA is overwogen dat met betrekking tot uitgaven, zoals beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, ingezetenen en niet-ingezetenen van deze lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren en dat, in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden, van een dergelijk verband slechts sprake is indien die kosten rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van die inkomsten.[6] Naar het oordeel van de rechtbank kan de aangroei van de verplichting aan polishouders niet worden aangemerkt als een uitgave in vorenbedoelde zin. Die verplichting vloeit voort uit de polisvoorwaarden en daaromheen gemaakte afspraken en houdt geen rechtstreeks verband met de inning van de dividenden. De door belanghebbende aangehaalde arresten geven geen aanleiding om te concluderen dat het arrest Société Générale SA onjuist is of dat het HvJ EU daarvan is teruggekomen. Dat neemt niet weg dat aan belanghebbende kan worden toegegeven dat op conceptueel niveau vragen kunnen rijzen over de verhouding tussen enige van die arresten en het arrest Société Générale SA, maar een verklaring voor de ‘enge’ benadering ter zake van dividenden in dat laatste arrest zou de bijzondere aard van dividenden kunnen zijn.[7]
Voor het geval dat moet worden uitgegaan van het in 4.4.1 bedoelde enge kostenbegrip, is niet in geschil dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting op basis van drukvergelijking.
Vergelijking met een in Nederland gevestigd pensioenlichaam
Belanghebbende stelt voorts dat zij voor wat betreft de teruggaafregeling vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd pensioenlichaam. Op belanghebbende rust ter zake de bewijslast.
Artikel 5 van de Wet Vpb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:
a. (...)
b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voor zover zij voordelen behalen uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.”
Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 luidt:
“Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.”
De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenlichaam, reeds omdat niet wordt voldaan aan de zogenoemde werkzaamhedeneis en de winstbestemmingseis. Belanghebbende heeft dat laatste als zodanig niet bestreden. Verder heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als kwalificerend pensioenlichaam. De inspecteur heeft daartoe in de kern aangevoerd dat uit de feiten volgt dat belanghebbende niet voldoet aan een deel van de voorwaarden en dat belanghebbende met betrekking tot de andere voorwaarden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daaraan voldoet. Ook dit heeft belanghebbende niet bestreden.
Belanghebbende betoogt evenwel dat, vanuit Unierechtelijk perspectief, zij gelet op de doelstelling van de teruggaafregeling voldoende vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenfonds wat betreft de teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende voert daartoe aan (i) dat de teruggaafregeling bedoeld is voor situaties waarin dividendbelasting niet verrekend kan worden omdat de betrokkene niet onderworpen is aan vennootschapsbelasting en dat de achtergrond van de teruggaafregeling mede is om industriefinanciering door het beleggen in aandelen aantrekkelijker te maken, en (ii) dat zij evenzeer een institutioneel belegger is als een Nederlands pensioenfonds en zij geen aanspraak kan maken op verrekening van Nederlandse dividendbelasting. Verder komen de Nederlandse vereisten voor een vrijgesteld pensioenlichaam in strijd met het Unierecht.
De rechtbank is het niet met belanghebbende eens. Het gaat hier om een geval waarin op basis van de wet geen recht bestaat op teruggaaf. Het Unierecht kan dan – voor zover hier van belang – alleen meebrengen dat toch recht op teruggaaf bestaat indien belanghebbende voldoende vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd lichaam dat wel recht heeft op teruggaaf. De fiscale behandeling in de woonstaat – hier: het aangevoerde (nagenoeg geheel) niet kunnen verrekenen van de dividendbelasting – is in dat opzicht niet relevant.[8] Ook de omstandigheid dat belanghebbende een institutionele belegger is, is als zodanig niet relevant. Aangezien belanghebbende zich beroept op vergelijking met een vrijgesteld pensioenlichaam en niet in geschil is dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor een vrijgesteld pensioenlichaam, faalt als uitgangspunt het beroep op die vergelijking. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de vraag kan rijzen of Unierechtelijk gezien élke voorwaarde aan belanghebbende kan worden tegengeworpen.[9] Hier is echter aan de orde dat belanghebbende niet voldoet aan een groot aantal kernvoorwaarden. Van bijvoorbeeld de werkzaamhedeneis en de winstbestemmingseis kan niet worden gezegd dat sprake is van voorwaarden die per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt. Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad leidt de rechtbank bovendien af dat een verschil in behandeling dat wordt veroorzaakt doordat (lid)staten verschillende voorwaarden stellen aan pensioenregelingen een dispariteit vormt en dus geen belemmering van het vrije verkeer.[10]
Belanghebbende heeft zich tevens beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft zij verduidelijkt dat dit beroep geheel staat in het teken van de vergelijking met een Nederlands pensioenfonds. Dat beroep stuit derhalve af op het vorenstaande.
Belanghebbende heeft op dit punt nog gesteld dat zij vergelijkbaar is met een premiepensioeninstelling (PPI) en op die grond recht heeft op een behandeling, gelijk aan die van Nederlandse pensioenlichamen. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling omdat de regeling met betrekking tot de PPI in de onderhavige jaren nog geen rechtskracht had. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting heeft erkend dat zij niet aan alle voorwaarden voor een PPI voldoet zoals het ontbreken van eigen vermogen. Daaraan doet niet af dat, zoals belanghebbende naar voren heeft gebracht, het gedachtegoed waarop de PPI-regeling is gebaseerd in de jaren waarop de onderhavige verzoeken betrekking hebben al leefde.
Het vrije verkeer van werknemers.
Daarnaast stelt belanghebbende dat het niet verlenen van de door haar verzochte teruggaaf van dividendbelasting strijd oplevert met het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 45 van het VwEU en met het burgerschap als bedoeld in artikel 21 van het VwEU.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende een kapitaalvennootschap is, met een in aandelen verdeeld kapitaal, en dat zij rechtspersoonlijkheid heeft. De artikelen 45 en 21 van het VwEU richten zich tot werknemers/natuurlijke personen. Belanghebbende valt daarom niet onder de personele werkingssfeer van genoemde artikelen en kan zich niet op de daarin vastgelegde vrijheden beroepen.
Artikel 23, vierde lid, van het Verdrag uit 1980
Het standpunt van belanghebbende dat zij een beroep kan doen op de non-discriminatiebepaling van artikel 23 van – kort gezegd – het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk uit 1980[11] berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het vierde lid van genoemd artikel. Het standpunt berust op de onjuiste opvatting dat de polishouders van de PPF’s aangemerkt moeten worden als de in dat lid bedoelde participanten. Niet de polishouders maar de aandeelhouder van belanghebbende moet immers worden aangemerkt als de beheerser van het kapitaal van belanghebbende.
Anticipatieve werking nieuw belastingverdrag op grond van artikel 18 Verdrag van Wenen?
Belanghebbende stelt dat zij vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk[12] aanspraak kan maken op teruggaaf van dividendbelasting op grond van dat belastingverdrag. Zij betoogt vervolgens echter ook dat in de periode tussen de ondertekening van dat belastingverdrag in 2008 en de inwerkingtreding daarvan (de interimperiode) Nederland haar de teruggaaf van dividendbelasting niet mocht onthouden omdat dit in strijd zou komen met de goede trouw die Nederland op basis van artikel 18 van het Verdrag van Wenen jegens de verdragspartner in acht moet nemen. Om die reden is teruggaaf geboden wat betreft de jaren 2009 en 2010. De rechtbank volgt dit betoog niet. Als de verdragspartijen hadden beoogd om een regeling ook van toepassing te laten zijn op de interimperiode, zou het verdrag hebben voorzien in terugwerkende kracht. Dat is niet het geval. Niet valt in te zien dat de nuttige werking van het verdrag – voor zover hier van belang: de teruggaaf van dividendbelasting in de periode ná inwerkingtreding – wordt ontnomen door geen teruggaaf te verlenen over de interimperiode.
Slot
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
(...)
[1] HvJ EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608.
[2] HvJ EU 22 november 2012, ECLI:EU:C:2012:737.
[3] HvJ EU 12 juni 2003, ECLI:EU:C:2003:340, HvJ EU 19 januari 2006, ECLI:EU:C:2006:51, HvJ EU 31 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:198 en HvJ EU 8 november 2012, ECLI:EU:C:2012:688.
[4] HvJ EU 2 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:402, HvJ EU 13 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:549 en HvJ EU 22 november 2018, ECLI:EU:C:2018:943.
[5] HvJ EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608, punt 48.
[6] HvJ EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608, punten 57 en 58.
[7] Vgl. het door de inspecteur aangehaalde onderdeel 35 van de conclusie van A-G Kokott voor het arrest HvJ EU 13 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:549.
[8] Vgl. HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1128.
[9] Vgl. HvJ 30 januari 2020, C-156/17, Deka, rov. 37-47, 55-56 en 70-76.
[10] Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:518.
[11] Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 7 november 1980.
[12] Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 26 september 2008.
[13] Vgl. het overzichtsarrest Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, rov. 2.4.3 en 2.4.4.
(...)”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de in 1.4.2 en 1.7 vermelde dividendbelasting ter zake van de door haar ontvangen dividenden. Meer in het bijzonder zijn de volgende punten in geschil:
-
Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb in het geding gebracht? Waarbij tevens in geschil is of de Inspecteur onzorgvuldig en in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld.
-
Is belanghebbende – zo nodig met een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel – (i) de opbrengstgerechtigde en (ii) de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden?
-
Heeft belanghebbende op grond van de in artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het VWEU) neergelegde vrijheid van kapitaalverkeer recht op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een met haar vergelijkbare binnenlandse verzekeraar c.q. belastingplichtige die is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting; heeft belanghebbende recht op teruggaaf op grond van het arrest XX?
-
Is belanghebbende, mede vanuit Unierechtelijk perspectief, gelet op de doelstelling van de teruggaafregeling en de behandeling van belanghebbende onder de hierna onder g) en h) vermelde belastingverdragen, vergelijkbaar met een in Nederland vrijgesteld pensioenfonds dan wel andere binnenlandse entiteiten die vanwege het ontbreken van een belastbare basis de dividendbelasting kunnen terugvragen?
-
Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting op basis van het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel, dan wel het Unierechtelijke proportionaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel?
-
Heeft belanghebbende op grond van het in artikel 45 van het VWEU neergelegde vrije verkeer van werknemers, dan wel – indien een grensoverschrijdende activiteit mocht ontbreken – het burgerschap van de Unie zoals vervat in artikel 21 van het VWEU, dan wel de algemene non-discriminatiebepaling van artikel 18 van het VWEU, recht op teruggaaf van dividendbelasting?
-
Is de weigering om teruggaaf te verlenen in strijd met de non-discriminatiebepaling van artikel 23, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland - Verenigd Koninkrijk van 7 november 19801 (het Verdrag 1980)?
Heeft belanghebbende op basis van artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht (het Verdrag van Wenen) en het Belastingverdrag Nederland – Verenigd Koninkrijk van 26 september 20082 (het Verdrag 2008) wat betreft de jaren 2009 en 2010 recht op teruggaaf van dividendbelasting?
-
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten met betrekking tot geschilpunt a?
-
Dient de Inspecteur rente te vergoeden over de teruggaaf van dividendbelasting, indien belanghebbendes verzoek daartoe wordt toegewezen en, zo ja, tegen welk percentage?
Verder is in geschil of het hoger beroep voor de jaren 2005 tot en met 2007 ontvankelijk is voor zover daarin door belanghebbende dividendbelasting wordt teruggevraagd op dividenduitkeringen die niet zijn opgenomen in de onder 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf (waaronder de als verzoeken opgevatte aangiften vennootschapsbelasting).
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggave van de in 1.4.2 en 1.7 vermelde dividendbelasting, alsmede tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de gederfde rente over de litigieuze teruggaaf, berekend naar een percentage van 7,4% (primair standpunt), dan wel berekend naar het percentage van de bancaire rente als bedoeld in het arrest HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89, BNB 2022/39 dat in de onderhavige periode varieert tussen 5,22% en 6,51% (subsidiair standpunt). Belanghebbende concludeert verder tot toekenning van een bovenforfaitaire vergoeding van de proceskosten, alsmede tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 Awb) (geschilpunt a)
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten, in het geding te brengen (vgl. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, r.o. 2.3.2, en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2). Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en in uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht (vgl. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, r.o. 2.3.2).
Zaakstukken met betrekking tot het vertrouwensbeginsel
Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb heeft overgelegd. Zij doelt daarbij in de eerste plaats op stukken die volgens haar licht zouden kunnen werpen op de vraag of sprake is van een impliciete standpuntbepaling, inhoudende dat belanghebbende opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde is en ook ‘pensioenfonds’ in de zin van het Verdrag 1980. Meer in het bijzonder doelde belanghebbende daarbij aanvankelijk op de volgende stukken:
- -
-
(i) alle correspondentie tussen belanghebbende (of [Bank 1] namens belanghebbende) en de Belastingdienst in het kader van teruggaven van Nederlandse dividendbelasting en de gerechtigdheid van belanghebbende tot dergelijke teruggaven onder Nederlands recht alsmede de door Nederland gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting, inclusief correspondentie in verband met het onderstaande;
- -
-
(ii) afschriften dan wel overzichten van alle door belanghebbende (of [Bank 1] namens belanghebbende) aan de Belastingdienst verzochte teruggaven op of na 28 mei 2013;
- -
-
(iii) afschriften dan wel overzichten van alle door de Belastingdienst (al dan niet door tussenkomst van [Bank 1] ) aan belanghebbende verleende teruggaven op of na 28 mei 2013;
- -
-
(iv) de door ( [Bank 1] namens) belanghebbende ingediende verzoeken tot teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting in de batch met nummer [...] ;
- -
-
(v) een afschrift van de door de Belastingdienst verleende teruggaaf aan belanghebbende zoals verzocht in de batch met nummer [...] ;
- -
-
(vi) de door belanghebbende (of een ander namens belanghebbende) ingediende verzoeken tot teruggaaf van 10% dividendbelasting voor de jaren 2005 en 2006 op grond van het Verdrag 1980 en de resolutie van 9 juli 1993, nr. IFZ93/713, en afschriften van dergelijke teruggaven;
- -
-
(vii) de tussen de Belastingdienst en [Bank 1] gesloten overeenkomst(en) over de wijze waarop [Bank 1] verzoeken tot teruggaaf van Nederlandse belasting vormgeeft en indient; alsmede
- -
-
(viii) de in paragraaf 5 van haar brief van 20 september 2022 bedoelde additionele stukken, welke betrekking hebben op de in Bijlage 2 bij die brief opgenomen teruggaven.
De Inspecteur heeft in zijn reactie van 6 september 2022 ten aanzien van de onder 5.2 onder (vi) bedoelde stukken laten weten dat deze stukken, die zien op teruggaafverzoeken voor de jaren 2005 en 2006, niet meer aanwezig zijn. Uit deze reactie volgt verder dat het bestaan van de stukken die zien op 2011 en latere jaren (zie 5.2 onder (i)-(v)) en de tussen de Belastingdienst en [Bank 1] gesloten overeenkomst (zie 5.2 onder (vii)), in beginsel aannemelijk is. Over (het bestaan van) de in 5.2 onder (viii) bedoelde – door belanghebbende op 20 september 2022 gevraagde – additionele stukken, kon de Inspecteur zich in zijn reactie van 6 september 2022 nog niet uitlaten.
Aan de Inspecteur is vervolgens op 20 mei 2025 verzocht de door belanghebbende gevraagde (additionele) stukken (met uitzondering van de niet langer aanwezig zijnde stukken over de jaren 2005 en 2006) binnen twee weken na dagtekening van de brief in het geding te brengen, mits die stukken bestaan.
De Inspecteur heeft bij brief van 4 juni 2025 de gevraagde stukken ingediend, met uitzondering van de in 5.2 onder (vii) bedoelde overeenkomsten tussen de Belastingdienst en [Bank 1] . De Inspecteur heeft ten aanzien van die overeenkomsten een beroep gedaan op beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 Awb en heeft deze als bijlagen A, B en C verstrekt aan de geheimhoudingskamer van het Hof.
De geheimhoudingskamer heeft beslist dat het verzoek om beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is, met uitzondering van bijlage A (met bijlagen) en van de data en de namen en handtekeningen van ambtenaren en medewerkers van [Bank 1] in de bijlagen B en C. De Inspecteur heeft daarop bijlagen B en C alsnog in het geding gebracht en in geschoonde vorm aan belanghebbende verstrekt.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 5.2 bedoelde stukken niet kwalificeren als zaakstukken. Aan dit standpunt heeft hij enerzijds ten grondslag gelegd dat de stukken die zien op de jaren 2005 en 2006 na twaalf jaar zijn vernietigd op grond van de Archiefwet. Aangezien belanghebbende eerst in 2021 (in de beroepsfase) een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, waren de stukken op het moment van vernietiging geen zaakstukken. Wat betreft de overige stukken – deze zien op 2011 en latere jaren – heeft de Inspecteur aangevoerd dat die stukken niet van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel, aangezien de teruggaven van dividendbelasting voor de jaren vanaf 2011 zijn verstrekt op grond van een andere rechtsgrond (het Verdrag 2008 en de Competent Authority Agreement van 22 december 20163 (de CAA)) dan hier aan de orde is. Het Hof oordeelt hierover als volgt.
De in artikel 8:42, lid 1, Awb neergelegde verplichting om stukken in het geding te brengen (zie het rechtskader in 5.1) gaat niet zo ver dat de Inspecteur is gehouden stukken in het geding te brengen wanneer hij daarover niet meer beschikt en ook niet meer kan beschikken omdat deze stukken ter voldoening van een verplichting uit hoofde van de Archiefwet zijn vernietigd, terwijl die stukken op het moment van vernietiging géén zaakstukken waren (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, BNB 2023/73, r.o. 3.2.2). Anders dan belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd, is het enkele feit dat op het moment van de vernietiging over die jaren reeds een procedure liep, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de stukken zaakstukken zijn. Het vertrouwensbeginsel was immers nog niet in geschil en de stukken konden in zoverre dan ook niet van belang zijn voor de beslechting van een bestaand geschilpunt. Overigens is gesteld noch gebleken dat de bedoelde stukken op het moment van vernietiging van belang waren voor de beslechting van geschilpunten. Er bestaat dan ook geen aanleiding het ontbreken van deze stukken voor rekening van de Inspecteur te brengen.
De stukken die zien op latere jaren (ná 2010) worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien de Inspecteur het bestaan van die stukken niet heeft betwist (en nadien ook in het geding heeft gebracht) en belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat die stukken van belang zouden kunnen zijn voor de beslechting van het geschil tussen partijen over het vertrouwensbeginsel. In zoverre wordt het standpunt van de Inspecteur verworpen.
Na de hiervoor onder 1.11.3 en 1.12.3 vermelde indieningen bevat het procesdossier alle op de zaak betrekking hebbende stukken met betrekking tot het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet nader onderbouwd aan de hand van de door de Inspecteur nader in het geding gebrachte stukken. Het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur onzorgvuldig en in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, doordat hij pas zo laat in de procedure en pas na de brief van 20 mei 2025 (1.11.2 en 5.3.2) de gevraagde stukken in het geding heeft gebracht, wordt verworpen. De Inspecteur heeft de gevraagde stukken op 4 juni 2025, één dag na de gestelde termijn, in het geding gebracht. Verder heeft de Inspecteur bijlagen B en C (de twee overeenkomsten tussen de Belastingdienst en [Bank 1] ) enkele dagen na de uitspraak van de geheimhoudingskamer van 13 juni 2025 alsnog in het geding gebracht en in geschoonde vorm aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft nadien niet om méér tijd verzocht om haar beroep op het vertrouwensbeginsel aan de hand van die stukken nader te onderbouwen, noch heeft zij duidelijk gemaakt welk onderzoek zij in dat kader nog had willen verrichten. Weliswaar zijn de stukken, gelet op de datum van het verzoek van belanghebbende (4 juli 2022), op een laat moment verstrekt, doch belanghebbende heeft onvoldoende duidelijk gemaakt hoe zij daardoor in haar procespositie is geschaad of onvoldoende in staat is geweest haar beroep op het vertrouwensbeginsel nader te onderbouwen. Derhalve is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of van een inbreuk op de goede procesorde. Dat de stukken één dag na de gestelde termijn zijn ingediend, doet daaraan niet af.
Overige zaakstukken
Belanghebbende heeft ook meer in algemene zin om overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken verzocht. Zij heeft in dat kader gewezen op het geheel ontbreken van interne stukken. Verder doelt belanghebbende op processtukken in de zaak XX (zoals het proces-verbaal, het verweerschrift en de stukken ten aanzien van de procedure bij het HvJ). Volgens haar kunnen de stukken uit de zaak XX licht werpen op de juiste uitkomst in de onderhavige zaak, mede gelet op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel, gezien de grote gelijkenis tussen de onderhavige zaak en de zaak XX.
De processtukken in de zaak XX zijn, zo deze de Inspecteur al ter raadpleging ter beschikking hebben gestaan, geen stukken die op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb tot het procesdossier behoren. Het betreft immers stukken uit een ander procesdossier. In de onderhavige procedure kunnen belanghebbende en de Inspecteur alle argumenten aanvoeren die zij dienstig achten ter onderbouwing van hun standpunt over de toepassing van het Unierecht. Dat staat evenwel verder los van de argumenten die in dat kader door de partijen in de zaak XX worden gebezigd. Meer in het bijzonder geldt ten aanzien van het vertrouwensbeginsel dat een belastingplichtige in beginsel slechts in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan handelingen van de inspecteur in zijn verhouding tot de desbetreffende belastingplichtige (vgl. HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516, BNB 2000/343). Anders dan belanghebbende kennelijk meent, kan zij derhalve geen in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen aan standpunten die door de inspecteur worden ingenomen in de procedure in de zaak XX. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel geldt dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van op XX toegepast begunstigend beleid of van een oogmerk van begunstiging, terwijl de meerderheidsregel evenmin aan de orde is, nu slechts (hooguit) sprake is van één ander geval. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat processtukken uit de zaak XX van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.
Belanghebbendes klacht, tot slot, over het overigens ontbreken van op de zaak betrekking hebbende stukken, treft geen doel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van deze klacht, zodat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. De enkele, blote verwijzing naar het ontbreken van stukken van intern beraad, zonder concrete aanwijzing dat deze stukken bestaan, is in dit verband onvoldoende.
Wettelijk kader
Artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt als volgt:
“De voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel – voor zoveel nodig – bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking.”
Ingevolge het bepaalde in artikel 25, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) wordt de geheven dividendbelasting als voorheffing aangewezen, behoudens voor zover deze belasting is geheven naar opbrengsten die geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van het jaar. Daarop maakt artikel 25, lid 2, eerste volzin, Wet Vpb een uitzondering voor het geval de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden, niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. In dat geval wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen. Door de in het eerste lid van deze bepaling neergelegde aanwijzing kan de dividendbelasting op grond van artikel 15 AWR met de vennootschapsbelasting worden verrekend c.q. worden teruggegeven, indien de ingehouden dividendbelasting de verschuldigde vennootschapsbelasting overstijgt.
Artikel 1, lid 1, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet Db) luidde in de onderhavige jaren (2005 tot en met 2010) als volgt:
“Onder de naam ‘dividendbelasting’ wordt een directe belasting geheven van degenen, die – rechtstreeks of door middel van certificaten – gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in, (...) in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.”
Ingevolge het bepaalde in artikel 10, lid 1, Wet Db wordt aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, teruggaaf verleend van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, tenzij de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de opbrengsten waarop de dividendbelasting is ingehouden. Met ingang van 1 januari 2007 is in artikel 10 Wet Db geregeld dat, voor zover van belang, de teruggaveregeling van het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een lichaam dat in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.
In Nederland gevestigde pensioenlichamen die voldoen aan de in de Wet Vpb gestelde voorwaarden zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Aan hen wordt, als zij aan de overigens gestelde voorwaarden voldoen, teruggaaf verleend van dividendbelasting op grond van artikel 10, lid 1, Wet Db.
Artikel 2 van de Wet conflictenrecht corporaties (Wcc; vervallen per 1 januari 2012) luidt:
“Een corporatie die ingevolge de oprichtingsovereenkomst of akte van oprichting haar zetel of, bij gebreke daarvan, haar centrum van optreden naar buiten ten tijde van de oprichting, heeft op het grondgebied van de Staat naar welks recht zij is opgericht, wordt beheerst door het recht van die Staat.”
Zijn op 1 januari 2012 in werking getreden opvolger, artikel 10:118 van het Burgerlijk Wetboek (BW), luidt hetzelfde.
Artikel 3 Wcc (vanaf 1 januari 2012: artikel 10:119 BW) luidt onder meer als volgt:
“Het op een corporatie toepasselijke recht beheerst naast de oprichting in het bijzonder de volgende onderwerpen:
a. (...);
b. het inwendig bestel van de corporatie en alle daarmee verband houdende onderwerpen;
(...)”
Onder het ‘inwendig bestel’ wordt mede begrepen de aanwijzing van degene die, in de zin van artikel 1, lid 1, Wet Db, rechtstreeks is gerechtigd tot de opbrengst van de aandelen in die vennootschap, te weten de daarop uitgekeerde dividenden (zie HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49, BNB 2024/36, r.o. 4.4.4).
Artikel 15 en artikel 16, lid 1, van de Wet conflictenrecht goederenrecht (Wcg; geldend van 1 mei 2008 tot 1 januari 2012) luidden als volgt:
“Artikel 15
Indien een aandeel behoort tot een verzameling van effecten die giraal overdraagbaar zijn, is op het goederenrechtelijke regime met betrekking tot dat aandeel titel 4 niet van toepassing voor zover de bepalingen daarvan afwijken van artikel 16.
Artikel 16
1. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot giraal overdraagbare effecten wordt beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de rekening waarin de effecten worden geadministreerd, wordt gehouden.”
Het op 1 januari 2012 in werking getreden artikel 10:141, lid 1, BW luidt op dit punt hetzelfde.
Opbrengstgerechtigde tot de dividenden ex artikel 1, lid 1, Wet Db juncto artikel 25 Wet Vpb (geschilpunt b)
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de opbrengstgerechtigde is van de door haar ontvangen dividenden. Zij betoogt dat zij juridisch en economisch rechthebbende is van de aandelen waarin zij belegt en dat de polishouders slechts een van de waarde van de aandelen afgeleid recht hebben en in juridische noch economische zin als rechthebbende van de aandelen kunnen worden aangemerkt. Zij betoogt verder dat uit het Nederlandse internationale privaatrecht volgt dat het goederenrechtelijk regime met betrekking tot giraal overdraagbare effecten – zoals de onderhavige aandelen – wordt bepaald door het recht van de staat op wiens grondgebied de rekening wordt aangehouden waarin de effecten worden geadministreerd, zodat in dit geval het goederenrechtelijk regime van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is. Naar Engels recht kwalificeert belanghebbende als de zogenoemde beneficial owner van de aandelen en de dividenden, terwijl [Bank 2] en [Bank 1] kwalificeren als de zogenoemde registered owner (oftewel: legal owner) daarvan. Gelet hierop hielden vorenbedoelde banken/bewaarders de aandelen voor belanghebbende en is belanghebbende (als beneficial owner) juridisch gerechtigd tot alle voordelen en nadelen van de aandelen. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende een notitie van [naam advocatenkantoor] overgelegd (zie hierna onder 5.15). Belanghebbende wijst verder erop dat zij voor jaarrekeningdoeleinden als de eigenaar van de dividenden wordt beschouwd.
De Inspecteur heeft zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet de juridische eigenaar is van de aandelen, noch van (het recht op) de daarop uitgekeerde dividenden. Volgens de Inspecteur kan belanghebbende evenmin worden beschouwd als de economische eigenaar van de aandelen en de daarop uitgekeerde dividenden en fungeert zij als lasthebber voor de polishouders. Er is slechts een beperkte vrijheid om (namens de polishouders) te beschikken over de dividenden, welke vrijheid bovendien niet belanghebbende toevalt maar een andere rechtspersoon. De Inspecteur wijst verder erop dat door belanghebbende overgelegde credit en foreign income advices impliceren dat de dividenden niet toekomen aan belanghebbende, maar aan de door belanghebbende opgezette unit-linked fondsen, alsmede dat belanghebbende het dividend op de rekeningen bij [Bank 1] en [Bank 2] niet in ontvangst heeft genomen als eindbelegger. De Inspecteur is derhalve primair van mening dat belanghebbende niet de juiste partij is om teruggave van dividendbelasting te verzoeken.
De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49, BNB 2024/36 (het arrest van 19 januari 2024), waarin onder meer een uitleg is gegeven van de vereisten voor het begrip opbrengstgerechtigde, als volgt:
“Dividendbelasting als voorheffing op vennootschapsbelasting – algemeen kader
Artikel 25, lid 1, van de Wet Vpb bepaalt – voor zover in cassatie van belang – dat de geheven dividendbelasting als voorheffing wordt aangewezen, behoudens voor zover deze belasting is geheven naar opbrengsten die geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van het jaar. Daarop maakt artikel 25, lid 2, eerste volzin, van de Wet Vpb een uitzondering voor het geval de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden, niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. In dat geval wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen.
Met de woorden “ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden” is tot uitdrukking gebracht dat de dividendbelasting moet zijn geheven van de in artikel 1, lid 1, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst voor het boekjaar 2007/2008; hierna: de Wet Db; hierna: ) bedoelde gerechtigde tot de opbrengst van aandelen.4 Dat brengt mee dat de in artikel 25, lid 2, eerste volzin, van de Wet Vpb vervatte uitzondering geldt voor het geval dat de belastingplichtige weliswaar de hoedanigheid van gerechtigde tot de opbrengst (hierna: opbrengstgerechtigde) heeft, maar niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst. Dit betekent dat artikel 25, lid 1, van de Wet Vpb – voor zover in cassatie van belang – betrekking heeft op het geval dat de dividendbelasting is geheven van de belastingplichtige als opbrengstgerechtigde voor wie die opbrengst een belastbare bate vormt.
Volgens artikel 1, lid 1, van de Wet Db wordt als gerechtigde tot de opbrengst van aandelen aangemerkt degene die daartoe rechtstreeks of door middel van certificaten is gerechtigd. Hierbij heeft als uitgangspunt te gelden dat als opbrengstgerechtigde alleen kan worden aangemerkt degene die in civielrechtelijke zin is gerechtigd tot de opbrengst van de aandelen5. Die opbrengstgerechtigde is de bezitter van het aandeel, het dividendbewijs of een soortgelijk recht op de vruchten van het aandeel6. In de regel, indien niet een dergelijk recht op de opbrengst van het aandeel is afgesplitst, zal de hoedanigheid van opbrengstgerechtigde samenvallen met de hoedanigheid van aandeelhouder.
Betwist de inspecteur dat de belastingplichtige de gerechtigde tot de opbrengst is waarop de dividendbelasting is ingehouden, dan rust op de belastingplichtige de last om feiten te stellen en, bij betwisting daarvan door de inspecteur, aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij die hoedanigheid heeft7.”
In r.o. 4.4 van het arrest van 19 januari 2024 komt vervolgens het toepasselijke civiele recht in relatie tot het effectendepot dat de desbetreffende belanghebbende aanhield in Frankrijk aan de orde. De Hoge Raad concludeert dat op basis van het Franse giraal-effectenrecht moet worden beoordeeld wie als houder van de betreffende AEX-aandelen heeft te gelden op de tijdstippen waarop op deze aandelen dividenden werden uitgekeerd.
In het onderhavige geval gaat het eveneens om giraal overdraagbare effecten, terwijl de banken/bewaarders van de aandelen zijn gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de aandelen op een rekening in het Verenigd Koninkrijk worden geadministreerd. Gelet op deze feiten en omstandigheden is bij de vraag wie is gerechtigd tot de opbrengst van de aandelen, het recht van toepassing dat wordt aangewezen door het Nederlandse internationaal privaatrecht (vgl. r.o. 4.4.3 van het arrest van 19 januari 2024).
De uitkerende vennootschappen zijn, met uitzondering van [naam vennootschap] , opgericht naar Nederlands recht. Voor de naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen geldt dat op grond van het Nederlands incorporatierecht (artikel 2 en artikel 3 Wcc, zie 5.9.6 en 5.9.7 hiervóór) de houder van de aandelen degene is die in civielrechtelijke zin op de datum van uitkering van het dividend rechtstreeks is gerechtigd tot die opbrengst, tenzij het recht op de opbrengst van de aandelen in de vennootschap van de aandelen is afgesplitst (zie daarover 5.19 hierna). Vervolgens is ook bij de beantwoording van de vraag wie heeft te gelden als houder van de aandelen, het recht van toepassing dat wordt aangewezen door het Nederlands internationaal privaatrecht. Gelet op het bepaalde in artikel 15 in samenhang met artikel 16, lid 1, Wcg (geldend van 1 mei 2008 – 1 januari 2012; vanaf 1 januari 2012: art. 10:141, lid 1, BW, zie 5.9.8 hiervóór) moet deze vraag worden beantwoord naar het recht van de staat op welks grondgebied de rekening waarin de girale effecten worden geadministreerd, wordt gehouden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naar Brits giraal effectenrecht moet worden beoordeeld of belanghebbende heeft te gelden als houder van de aandelen, en daarmee gerechtigd tot het dividend was. Deze conclusie geldt niet alleen voor de aandelen in de naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen, maar (a fortiori) ook voor de aandelen in [naam vennootschap] , welke vennootschap is opgericht naar het recht van Engeland en Wales.
Tot de stukken van het geding behoort een notitie van [naam 1] en [naam 2] , partner respectievelijk associate van het advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] , gedateerd 29 oktober 2021, waarin het volgende staat vermeld over het begrip eigendom (‘ownership’) naar Engels recht:
“1. Background
The purpose of this note is to explain key aspects of the concept of “ownership” as a matter of English law.
Firstly, we discuss the fundamental principles of ownership and, secondly, we discuss how those principles of ownership apply in certain scenarios but, in particular, in the context of a UK life insurance company.