Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3296, 23/923

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3296, 23/923

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19 november 2025
Datum publicatie
10 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3296
Formele relaties
Zaaknummer
23/923
Relevante informatie
Art. 7.8 Wet IB 2001, Art. 8.8 Wet IB 2001, Art. 8.9 Wet IB 2001, Art. 21bis Uitv besl IB 2001

Inhoudsindicatie

Schumacker-achtige situatie. Uitspraak volgt lijn als uitgezet in eerdere uitspraken van het gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2022:1569, ECLI:NL:GHSHE:2022:1571 en ECLI:NL:GHSHE:2022:1574). Hoger beroep gegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 23/923

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] (Duitsland),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummer BRE 22/2684, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote [de echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/895, 23/911, 23/920 tot en met 922, 23/926 en 23/928 tot en met 23/930.

1.7.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.

1.10.

De inspecteur heeft na de zitting een nader stuk met bijlage ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende. Het hof heeft daarmee het onderzoek heropend. Belanghebbende heeft op het nader stuk gereageerd. Deze reactie is doorgestuurd naar de inspecteur.

1.11.

Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1] 1944, heeft de Nederlandse nationaliteit en is gehuwd in gemeenschap van goederen met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote), geboren op [geboortedatum 2] 1945. Het echtpaar woont sinds december 1997 in Duitsland in een eigen woning.

2.2.

De woning is een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 en is gezamenlijk eigendom van het echtpaar. Ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is dat naar Nederlands fiscaal recht voor belanghebbende en zijn echtgenote samen het negatieve inkomen uit eigen woning in 2020 € 7.047 en de specifieke zorgkosten € 4.213 bedraagt.

2.3.

Belanghebbende ontving in 2020 vanuit Nederland een AOW-uitkering van € 9.668 en een ouderdomspensioen van het [pensioenfonds] van € 36.984.

Uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Berlijn, 12-04-2012, tekst 2019 (hierna: het Verdrag) volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering1 en Nederland over het [pensioenfonds] -pensioen2 belasting mag heffen.

2.4.

Belanghebbende ontving in 2020 ook een Duitse pensioenuitkering van € 24.

2.5.

De echtgenote ontving in 2020 vanuit Nederland een AOW-uitkering van € 10.107. Uit het Verdrag volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering3 mag heffen.

2.6.

Belanghebbende heeft voor 2020 aangifte IB gedaan. Hierin heeft hij - voor zover relevant - aangegeven samen met zijn echtgenote kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te zijn en te voldoen aan de voorwaarden voor uitbetaling van heffingskortingen. De aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning en specifieke zorgkosten is in de aangifte aan belanghebbende toegedeeld.

2.7.

Onder dagtekening van 21 december 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende aangegeven af te wijken van de aangifte IB 2020 omdat belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt aangezien in het Verdrag het heffingsrecht over de AOW-uitkering aan Duitsland is toegewezen zodat het totale inkomen van belanghebbende en zijn echtgenote niet nagenoeg geheel belast is in Nederland.

2.8.

Bij brief van 20 januari 2022 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld af te wijken van de aangifte IB 2020, omdat belanghebbende als niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt met als gevolg dat hij geen recht heeft op de heffingskortingen en aftrek voor de eigen woning en specifieke zorgkosten.

2.9.

Onder dagtekening van 4 februari 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.984 en belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangemerkt.

2.10.

Belanghebbende heeft in Duitsland over 2020 een nihilaanslag Einkommensteuer (inkomstenbelasting) ontvangen, waarbij het gezamenlijk “zu versteuerndes Einkommen” € 18.067 bedroeg. Dit gezamenlijk inkomen in Duitsland en de daaruit voortvloeiende Duitse nihilaanslag zijn door de Duitse Belastingdienst als volgt berekend:

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Kan belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt?

II. Is de aanslag over het jaar 2020 tot het juiste bedrag opgelegd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vermindering van de aanslag IB 2020 conform de door belanghebbende ingediende aangifte. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing