Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3298, 23/926
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3298, 23/926
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 19 november 2025
- Datum publicatie
- 10 december 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:4126, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/926
Inhoudsindicatie
Schumacker-achtige situatie. Uitspraak volgt lijn als uitgezet in eerdere uitspraken van het gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2022:1569, ECLI:NL:GHSHE:2022:1571 en ECLI:NL:GHSHE:2022:1574). Belanghebbende komt niet in aanmerking voor de verhoging van heffingskortingen bij minstverdienende partner als bedoeld in artikel 8.9 Wet IB 2001.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/926
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummer BRE 22/3548 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2020 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aangifte IB 2020. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot [de echtgenoot] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/895, 23/911, 23/920 tot en met 23/923 en 23/928 tot en met 23/930.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De inspecteur heeft na de zitting een nader stuk met bijlage ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar belanghebbende. Het hof heeft daarmee het onderzoek heropend. Belanghebbende heeft op het nader stuk gereageerd. Deze reactie is doorgestuurd naar de inspecteur.
Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 2] 1945, heeft de Nederlandse nationaliteit en is gehuwd in gemeenschap van goederen met [de echtgenoot] (hierna: de echtgenoot), geboren op [geboortedatum 1] 1944. Het echtpaar woont sinds december 1997 in een eigen woning in Duitsland.
Belanghebbende ontving in 2020 vanuit Nederland een AOW-uitkering van € 10.107. Uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Berlijn, 12-04-2012, tekst 2019 (hierna: het Verdrag) volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering1 belasting mag heffen.
De echtgenoot van belanghebbende ontving in 2020 vanuit Nederland een AOW-uitkering van € 9.668, een [pensioenfonds] -ouderdomspensioen van € 36.984 en een Duitse pensioenuitkering van € 24. Uit het verdrag volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering2 en Nederland over het [pensioenfonds] -pensioen3 belasting mag heffen.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2019 en 2020 aangifte IB gedaan. Hierin heeft zij - voor zover hier relevant - aangegeven samen met haar echtgenoot kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen te zijn. Voor het jaar 2020 heeft belanghebbende aangegeven te voldoen aan de voorwaarden voor uitbetaling van heffingskortingen.
Bij brief van 6 oktober 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende aangegeven af te willen wijken van de aangifte IB 2019, omdat belanghebbende niet aan de eisen opgenomen in artikel 7.8 Wet inkomstenbelasting 2001 (Hierna: Wet IB 2001) voldoet en daardoor niet als kwalificerende buitenlands belastingplichtige aangemerkt kan worden. Onder dagtekening van 26 november 2021 heeft de inspecteur de aanslag IB 2019 opgelegd overeenkomstig zijn voornemen tot correctie.
Onder dagtekening van 18 februari 2022 is de primitieve aanslag IB 2020 geautomatiseerd vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte. Belanghebbende is als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt en aan belanghebbende is een bedrag aan heffingskortingen uitbetaald.4 Dit bedrag is als volgt berekend:
Verschuldigde IB: € 980
Toegepaste heffingskortingen € 980 -/-
Inkomstenbelasting € 0
Uitbetaling heffingskorting(en) € 705 +
Vergoede belastingrente € 22 +
Te ontvangen of te verrekenen € 727
Bij brief van 24 februari 2022 heeft de inspecteur aan belanghebbende een voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 gestuurd, omdat belanghebbende als niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt en daardoor geen recht heeft op uitbetaling van heffingskortingen.
Onder dagtekening van 2 april 2022 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Belanghebbende is als niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt en heeft daardoor geen recht op uitbetaling van de heffingskortingen. Tevens is bij beschikking € 23 belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft in Duitsland over het jaar 2020 een nihilaanslag Einkommensteuer (inkomstenbelasting) ontvangen, waarbij het gezamenlijk inkomen (“zu versteuerndes Einkommen”) voor het jaar 2020 € 18.067 bedroeg. Dit gezamenlijk inkomen in Duitsland is als volgt berekend:

3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Kan belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt?
II. Heeft belanghebbende recht op uitbetaling van heffingskortingen op basis van het Unierecht?
III. Beschikt de inspecteur over een navorderingsgrond?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.