Rechtbank Noord-Holland, 04-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2308, 24/7851
Rechtbank Noord-Holland, 04-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2308, 24/7851
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 4 maart 2026
- Datum publicatie
- 11 maart 2026
- Zaaknummer
- 24/7851
- Relevante informatie
- Art. 7:15 Awb, Art. 8:59 Awb, Art. 1 BPB, Art. 8:75 Awb, Awb, BPB, Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Het begrip ‘deskundige’ uit het Besluit proceskosten bestuursrecht past niet meer bij de huidige werkwijze van gemachtigden in het kader van de WOZ-taxaties van woningen. Zij maken vooral gebruik van openbaar beschikbare gegevens die met behulp van software en kunstmatige intelligentie uitmonden in een ‘taxatierapport’. De vergoeding daarvoor bepaalt de rechtbank op € 15. Daarmee verlaat zij de gangbare methode van het berekenen van een bedrag door een veronderstelde tijdseenheid te vermenigvuldigen met een uurtarief.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7851
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] (NH), eiseres
(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar, verbonden aan Het Nieuwe WOZ-bureau),
en
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
24/7554
Procesverloop
Verweerder heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (NH) (hierna: de woning), op waardepeildatum 1 januari 2023 (hierna: de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld.
Eiseres heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de waarde van de woning verminderd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. De zitting heeft digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Namens eiseres heeft de gemachtigde deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Het beroep is op zitting gelijktijdig (maar niet gevoegd) behandeld met vier beroepen ingesteld door dezelfde gemachtigde met zaaknummers HAA 24/7187, HAA 24/7495, HAA 24/7554 en HAA 25/1166.
Partijen hebben na sluiting van het onderzoek ter zitting op verzoek van de rechtbank nadere stukken overgelegd, bestaande uit een reactie op de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:259). Deze stukken zijn aan het dossier toegevoegd.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft in de bezwaarfase onder de naam ‘Bureautaxatie’ een document (hierna: het document) ingebracht van [bedrijf 1] B.V. (hierna: W BV) Het document is ondertekend door [naam 3] (hierna: T). In het document wordt de waarde van de woning op de waardepeildatum getaxeerd op € 622.000. Het document is niet gedagtekend.
2. Op de laatste pagina van het document is een specificatie van de kosten opgenomen. Daarbij is naast de naam van de opdrachtgever ook het KvK-nummer en btw-identificatienummer van W BV als opdrachtnemer vermeld. De specificatie van de kosten is als volgt (citaat):
|
Omschrijving |
Uren |
Uurtarief (€) |
Bedrag (€) |
|
WOZ advies: startpunt advies |
€ 4,00 |
||
|
WOZ taxatie: bureau-taxatie |
2,0 |
€ 59,00 |
€ 118,00 |
|
Hoorzitting: voorbereiding (en deelname) |
0,5 |
€ 59,00 |
€ 29,50 |
|
Bedrag |
€ 151,50 |
||
|
Totaal btw 21% |
€ 31,82 |
||
|
Totaal (EUR) |
€ 182,32 |
3. Eiseres heeft verweerder in het bezwaarschrift verzocht een bezwaarkostenvergoeding toe te kennen, meer specifiek een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte taxatiekosten zoals hiervoor vermeld. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder voor het document een kostenvergoeding toegekend van € 50 (inclusief omzetbelasting).
4. Verweerder heeft een inventarisatie overgelegd van door de gemachtigde ingediende vergelijkbare documenten inzake de WOZ-waardering voor belastingjaar 2024. De inventarisatie is uitgevoerd onder 24 gemeenten en belastingsamenwerkingen. Verweerder heeft voorts stukken ingediend waaruit valt af te leiden dat in (voornamelijk) de periode mei tot en met juli 2024 door de gemachtigde bij 107 verschillende gemeenten ten minste 28.739 vergelijkbare documenten zijn ingediend, alle afkomstig van W BV. Deze documenten bevatten (voor zover door verweerder nagegaan) allemaal een handtekening van T. De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd ter zitting de uitkomsten van deze inventarisatie niet ontkend.
5. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat T de ontwerper is van een softwaremodel (‘taxatiesysteem’) dat dergelijke documenten genereert. T heeft, aldus de gemachtigde, met dit model geprobeerd om het waarderingsmodel na te bootsen dat gemeenten gebruiken bij de vaststelling van WOZ-waarden. Daarbij heeft T volgens de gemachtigde voornamelijk gebruikgemaakt van openbaar beschikbare gegevens over woningen. De werkzaamheden van T bestaan volgens de gemachtigde met name uit onderzoek naar onder meer grondstaffels en correctiefactoren ter verdere ontwikkeling van het softwaremodel.
6. Tot de gedingstukken behoort een link naar een video-opname (‘video demonstratie’) en een verantwoordingsdocument op de website van W BV. In de video-opname wordt een toelichting gegeven op de inhoud van de documenten van W BV.
7. De gemachtigde heeft na vragen van de rechtbank geen inzage willen geven in het bedrijfsmodel van W BV omdat dit volgens hem commercieel gevoelige informatie is. Wel heeft de gemachtigde verklaard dat de documenten worden opgesteld door al dan niet tijdelijk ingehuurde arbeidskrachten en dat T de verantwoordelijk taxateur is, hetgeen verweerder betwist.
8. Ter onderbouwing van de taxatie-technische deskundigheid van T, die door verweerder eveneens wordt betwist, heeft de gemachtigde gewezen op uitspraken van rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2025:2281) en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2026:259). De gemachtigde heeft in de onderhavige procedure geen bewijsstukken overgelegd inzake de taxatie-technische deskundigheid van T. T is ook niet in persoon ter zitting verschenen.
9. Tot het dossier behoren KvK-uittreksels van W BV en van het kantoor van de gemachtigde, Het nieuwe WOZ-bureau B.V. (hierna: HNWB BV). Uit deze uittreksels volgt dat zowel W BV als HNWB BV (tot 12 december 2024) worden bestuurd door [bedrijf 3] B.V. (hierna: KH BV). KH BV is tot 12 december 2024 tevens enig aandeelhouder van HNWB BV. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat W BV en HNWB BV in hetzelfde gebouw kantoor houden, maar dat het twee aparte bedrijven zijn. Hij heeft verder verklaard dat hij zelf minderheidsaandeelhouder is in W BV. In de onderhavige periode heeft W BV volgens de gemachtigde ook aan derden producten geleverd.
10. Ten tijde van het instellen van het beroep heeft de gemachtigde een volmacht overgelegd met dagtekening 28 februari 2024. De volmacht bevat een handtekening van eiseres en vermeldt, voor zover van belang:
“Ik machtig de medewerkers van [bedrijf 2] B.V. en Het Nieuwe WOZ-bureau B.V. en
eventueel door hen ingeschakelde derden om mij te vertegenwoordigen, voor mijn
belang op te komen en in rechte op te treden in alle aangelegenheden omtrent de WOZ-
beschikking 2024 voor mijn pand, waaronder de bezwaar- en (hoger)beroepsprocedure
voor deze beschikking.”
Geschil 11. In geschil is of verweerder terecht de toegekende kostenvergoeding voor het document heeft beperkt tot € 50. Meer specifiek is in geschil:
- -
-
of T kwalificeert als deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb); zo ja,
- -
-
of het document is aan te duiden als verslag uitgebracht door een deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb (hierna: deskundigenverslag); zo ja,
- -
-
welk bedrag aan kostenvergoeding het document rechtvaardigt.
De bij uitspraak op bezwaar verminderde waarde van de woning en de daarbij reeds toegekende forfaitaire kostenvergoeding voor de verleende rechtsbijstand zijn niet in geschil.
12. Eiseres stelt dat T kwalificeert als deskundige, dat het document kwalificeert als deskundigenverslag en dat de werkelijk in rekening gebrachte kosten moeten worden vergoed. Dit blijkt volgens eiseres uit de toepasselijke wet- en regelgeving en de daarbij horende wetsgeschiedenis. De kostenvergoeding voor het document moet daarom worden gesteld op € 142,78 (twee uur à € 59, vermeerderd met 21% aan omzetbelasting).
Eiseres stelt verder dat aan de uitspraak op bezwaar een motiveringsgebrek kleeft.
In het na afloop van de zitting toegezonden stuk heeft eiseres het subsidiaire standpunt ingetrokken. Dat standpunt hield in dat voor de hoogte van het te vergoeden bedrag aansluiting moest worden gezocht bij de op 22 december 2025 ingetrokken Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties.1
13. Verweerder stelt primair dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij twijfelt aan de wens van eiseres om in beroep te gaan.
Subsidiair stelt verweerder dat voor het document geen kostenvergoeding had hoeven worden toegekend omdat T, nog daargelaten of hij enig werk aan het document heeft verricht, niet deskundig is. Indien de rechtbank van oordeel is dat T deskundig is, dan is volgens verweerder geen sprake van een deskundigenverslag zoals bedoeld in het Bpb. Het document is namelijk (grotendeels) geautomatiseerd tot stand gekomen en er staan veel fouten in, aldus nog steeds verweerder.
Meer subsidiair stelt verweerder dat de kostenvergoeding verder gematigd had kunnen worden tot € 10,69 dan wel € 36,30. Gelet op de grote hoeveelheid documenten die de gemachtigde in een korte periode heeft ingediend bij verschillende gemeenten, bovendien ondertekend door dezelfde persoon, kan er niet eens vijf minuten aan één document zijn besteed.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
14. Verweerder heeft in zijn nadere stuk van 19 december 2025 voor het eerst primair het standpunt ingenomen dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder aangevoerd dat hij twijfelt of eiseres op de hoogte is van deze procedure. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om eiseres op te roepen en inlichtingen te laten verschaffen op grond van artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd.
Ter zitting heeft verweerder dit standpunt onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. In het stuk dat verweerder na sluiting van het onderzoek heeft ingediend, concludeert hij echter opnieuw primair tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, zonder te motiveren welke motivering aan het herintroduceren van deze beroepsgrond ten grondslag ligt (zoals een beroep op dwaling). Gelet op het belang van onderhavige procedure, de procesafspraken die gemaakt zijn tussen partijen over het aanwijzen van de in het procesverloop genoemde zaken en de behoefte aan duidelijkheid over het inhoudelijke geschilpunt, komt de herintroductie van het geschilpunt in strijd met de goede procesorde. De rechtbank gaat daarom aan de vraag omtrent ontvankelijkheid voorbij. Gelet op dit oordeel behoeft ook de afwijzing van het verzoek om eiseres zelf op te roepen, geen motivering meer.
Motiveringsgebrek uitspraak op bezwaar
15. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat aan de uitspraak op bezwaar een motiveringsgebrek kleeft. Eiseres heeft desgevraagd toegelicht dat dit standpunt niet nieuw is, maar dat zij dit al in het beroepschrift onder 2.2 naar voren heeft getracht te brengen. Verweerder heeft ter zitting betwist dat sprake is van een motiveringsgebrek en heeft verklaard dat hij hier verder niet adequaat op kan reageren. Uit het beroepschrift maakt de rechtbank niet op dat eiseres een beroep heeft willen doen op het motiveringsbeginsel. De
rechtbank verklaart de stelling van eiseres daarom tardief. Ook overigens voldoet de uitspraak op bezwaar aan de daaraan gestelde eisen. De omstandigheid dat eiseres niet overtuigd is geraakt door de motivering maakt dat niet anders.
Deskundigenverslag
16. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, ziet de rechtbank zich voor de taak gesteld om een integraal oordeel te geven over het geheel van de gepresenteerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de kostenvergoeding. De beslissing van de rechtbank in deze zaak heeft alleen rechtsgevolgen voor partijen indien het oordeel luidt dat recht bestaat op een hogere kostenvergoeding dan € 50 voor het document. In juridische terminologie wordt dit aangeduid als verbod op reformatio in peius.
17. Eiseres voert in beroep aan dat zij recht heeft op een kostenvergoeding van € 142,78, althans op een hogere kostenvergoeding dan € 50, voor het document, omdat het kwalificeert als deskundigenverslag. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, rust in dit verband op eiseres de bewijslast. Hiervan uitgaande stelt de rechtbank het volgende voorop. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb luidt:
“De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.”
Uit deze bepaling volgt een dubbele redelijkheidstoets: de omvang van de kosten moet redelijk zijn evenals het maken van de kosten als zodanig (vgl. ECLI:NL:HR:2025:1127). Het overleggen van een ‘taxatieverslag’ door een belastingplichtige in procedures over een WOZ-beschikking is volgens jurisprudentie van de Hoge Raad over het algemeen redelijk, zie ECLI:NL:HR:2012:BX0904:
“4.3.3. Gezien de grondslag van het Bpb in artikel 8:75, lid 1, Awb, gaat het bij de toekenning van een vergoeding voor kosten van een deskundige allereerst erom of sprake is van kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Een belanghebbende die in een geval als hiervoor in 4.3.1 bedoeld ter onderbouwing van zijn standpunt over de waarde van een onroerende zaak een taxatieverslag aan de heffingsambtenaar of de rechter overlegt, zal in het algemeen aan deze eis voldoen. In het onderhavige geval bevatten de uitspraak van het Hof of de gedingstukken geen aanwijzingen voor het tegendeel. (…)”
18. Daarbij geldt in ieder geval dat het document moet voldoen aan de nadere regels in het Bpb over kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb luidt:
“Een veroordeling in de kosten (…) kan uitsluitend betrekking hebben op:
(…)
b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,”
19. De rechtbank ziet zich daarom in de eerste plaats voor de vraag gesteld of sprake is van een deskundige die aan eiseres een verslag heeft uitgebracht. In de Awb en het Bpb wordt niet gedefinieerd wat onder het begrip ‘deskundige’ moet worden verstaan. Dat neemt niet weg dat iets kan worden gezegd over de rol en positie van een deskundige in het rechtsbedrijf. Inherent aan deze rol en positie van de deskundige is dat hij vanuit aantoonbare expertise bewijs bijbrengt in een procedure over geschilpunten die buiten het terrein van de eigen expertise van in dit geval eiseres en de gemachtigde zijn gelegen (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2025:1003). In procedures over de waardering van onroerende zaken is dat van oudsher een natuurlijk persoon met voldoende relevante taxatie-technische kennis die aan de hand van kenbare menselijke activiteit tot uitdrukking wordt gebracht.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat T ter zake deskundig is. Zonder ondersteunend bewijs, dat ontbreekt, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat T met succes een opleiding tot taxateur heeft gevolgd noch dat hij in het verleden enige taxatie-technisch relevante werkervaring heeft opgedaan. De enkele verwijzing naar uitspraken van rechtbank Oost-Brabant en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volstaat niet. Daar komt bij dat tussen partijen vast staat dat T, voor zover hij al enige specifieke deskundigheid op het gebied van de waardebepaling van woningen bezit, deze vermeende kunde niet aantoonbaar heeft ingezet om het document te produceren. Dat leidt de rechtbank af uit de verklaring van eiseres ter zitting dat T het document niet zelf heeft opgesteld. Het document is door het softwaremodel van W BV geautomatiseerd voorzien van gegevens. Naar eiseres stelt zijn deze gegevens gecontroleerd en verder gespecificeerd door arbeidskrachten van W BV. Wie deze arbeidskrachten zijn en welke expertise zij inbrengen, heeft eiseres desgevraagd niet willen prijsgeven.
21. Het voorgaande leidt de rechtbank in beginsel tot de conclusie dat geen sprake is van een document van de hand van een ‘deskundige’ in de klassieke zin van artikel 1, onder b, van het Bpb. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank aannemelijk acht dat W BV heeft geïnvesteerd in de kennis en ontwikkeling van technologie waarmee woningen kunnen worden getaxeerd. Het softwaremodel dat W BV heeft ontwikkeld, heeft wellicht weinig tot niets te maken met menselijke expertise in traditionele zin, maar niet kan worden ontkend dat het model draait op andersoortige expertise. De huidige ontwikkelingen in de maatschappij, onder meer op het gebied van kunstmatige intelligentie, roepen de vraag op of dergelijke computergegeneerde expertise kan worden aangemerkt als werk verricht door een ‘deskundige’ als bedoeld in het Bpb. Naar het oordeel van de rechtbank is dat, voor zover het de grootschalige waardering van woningen betreft, het geval. Voor het taxeren van woningen is immers niet altijd eigen observatie of waarneming vereist, in tegenstelling tot het werk van deskundigen in andersoortige bestuurs- of strafzaken. Deze nieuwe realiteit is bovendien blijvend; dergelijke computermodellen zullen zich steeds verder ontwikkelen en door nieuwe voeding tot steeds betrouwbaardere resultaten kunnen leiden.
22. Verweerder heeft in dit verband terecht aangevoerd dat het document meerdere fouten bevat. Daar komt bij dat de gemachtigde ter zitting heeft bevestigd dat het softwaremodel slechts gebruik maakt van een deel van de openbaar beschikbare gegevens over woningen. In het door de gemachtigde aangedragen verantwoordingsdocument is bovendien vermeld dat W BV structureel 10% onderwaardeert. Dit neemt echter niet weg dat het document is gegenereerd door een softwaremodel dat naar het oordeel van de rechtbank zodanige overtuigingskracht bezit dat verweerder mede op basis daarvan de WOZ-waarde van de woning in de uitspraak op het bezwaarschrift heeft verminderd. Daar komt bij dat het document ook in grote mate gelijkenissen vertoont met het document dat verweerder gebruikt om de vastgestelde waarde te onderbouwen. De conclusie dat het document op geen enkele wijze kan bijdragen aan het beoordelen van de vastgestelde waarde staat op gespannen voet met het veelvoorkomende oordeel van rechtsprekende colleges dat verweerder met een soortgelijk document de waarde van WOZ-objecten aannemelijk heeft gemaakt.
23. Alles tegen elkaar afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat het document wel het eindproduct is van de inzet van kennis en kunde, doch niet in de traditionele betekenis bij WOZ-zaken, zijnde een taxatierapport. Het document is de resultante van dataverzameling, dataverwerking en data-analyse, waarvan de uitkomsten met inzet van technologie in korte tijd op grote schaal gereproduceerd kunnen worden. Dat werk kwalificeert niet als het werk van een taxatie-technische deskundige. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan te merken als data-analytische deskundigheid. Als zodanig kwalificeert het wel als deskundigenverslag in de zin van het Bpb. Al hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd, brengt de rechtbank op dit punt niet tot een ander oordeel.
Hoogte kostenvergoeding
24. De rechtbank komt vervolgens toe aan de laatste vraag in deze procedure, te weten welk bedrag aan kostenvergoeding het document dan rechtvaardigt. In dit verband heeft verweerder aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat eiseres, dan wel haar gemachtigde, überhaupt kosten heeft gemaakt. De kostenspecificatie bij het document is volgens verweerder geen factuur. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De kostenspecificatie heeft immers de uiterlijke kenmerken van een factuur omdat deze is voorzien van onder meer een btw-identificatienummer. Dit is een aanwijzing dat de in rekening gebrachte omzetbelasting ook wordt afgedragen. De gemachtigde heeft bovendien verklaard dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de kosten genoemd in het document door W BV in rekening zijn gebracht.
25. Eiseres heeft verzocht om een volledige vergoeding van de volgens haar werkelijk gemaakte kosten à € 142,78. De rechtbank verwerpt dit standpunt en stelt voorop dat de wetgever slechts heeft beoogd te voorzien in een tegemoetkoming van de kosten, hetgeen door de Hoge Raad is bevestigd in onder meer ECLI:NL:HR:2025:1127.
26. Gelet op hetgeen door partijen is aangevoerd, kan de rechtbank niet inzien dat er door W BV twee uur aan werkzaamheden zijn verricht voor de totstandkoming van het document. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de inventarisatie door verweerder van door de gemachtigde ingediende vergelijkbare documenten, zie overweging 4. Daarbij weegt de rechtbank ook mee hetgeen is overwogen onder overweging 21. Het gaat in deze kwestie over de uitkomsten van een softwaremodel. Niet aannemelijk is dat bij het opstellen van het document menselijke deskundigheid te pas is gekomen, laat staan voor een tijdsbestek van twee uur. De gemachtigde heeft desgevraagd geen inzicht willen geven in de exacte werkzaamheden van T dan wel van de arbeidskrachten van W BV. De rechtbank zal daarom zelf een schatting maken van de redelijkerwijs te vergoeden kosten voor het document. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de informatie in het document automatisch gegenereerd is en dat de kosten die verband houden met de ingezette deskundigheid met name worden veroorzaakt door de ontwikkeling van het softwaremodel.
27. Bij deze werkwijze past niet het uitdrukken in een, al dan niet afgeronde, tijdseenheid per afgeleverd product. Ook het toepassen van een uurtarief past naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet. Omdat de gemachtigde ter zitting zijn werkwijze heeft vergeleken met die van gemeenten sluit de rechtbank voor het bepalen van de hoogte van een redelijke vergoeding voor het document ook aan bij de kosten die gemeenten op dit gebied maken. Uit de benchmark van de Waarderingskamer blijkt dat de uitvoering van de Wet WOZ door alle gemeenten en samenwerkingsverbanden in 2024 € 24 per object heeft gekost.2 Dat bedrag moet verminderd worden met de kosten van bezwaar- en beroep (personele en materiële kosten ad € 9,40) zodat een bedrag van € 14,60 resteert. De rechtbank bepaalt de redelijke vergoeding voor de kosten van het document daarom op € 15.
Alle feiten en omstandigheden afwegend en rekening houdend met de tegemoetkomende aard van de kostenvergoeding, concludeert de rechtbank tot een te vergoeden bedrag van € 15 voor het document.
Slotsom
28. Zoals hiervoor is overwogen rechtvaardigt het document, naar het oordeel van de rechtbank, geen hogere tegemoetkoming in de kosten dan € 15. Dat is lager dan de reeds toegekende vergoeding van € 50. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
29. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat geen aanleiding.