Aflevering 19-20

Gepubliceerd op 14 mei 2020

NTFR 2020/1338 - Eigen schuld

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. A.L. Mertens
‘Zzp’ers zijn natuurlijk wel de groep die zelf hebben gezegd: ik hoef geen vast dienstverband; dit zijn mensen die hebben wel zelf bewust dat risico genomen.’

NTFR 2020/1341 - COVID-19: Steunpakket sportverenigingen gevolgen COVID 19-maatregelen

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
Minister Van Rijn van Medische Zorg heeft de Tweede Kamer een brief gestuurd over een pakket aan steunmaatregelen voor sportverenigingen die geraakt zijn door de maatregelen tegen het coronavirus. Met de heropening van de sport voor de jeugd stelt het kabinet € 110 miljoen extra beschikbaar voor sportverenigingen zodat zij de jeugd goed kunnen opvangen en de unieke Nederlandse infrastructuur behouden blijft. Met de insteek dat sportverenigingen straks hun deuren weer voor alle Nederlanders kunnen openen.

NTFR 2020/1343 - COVID-19: Extra overbruggingskrediet kleine bedrijven

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
Het kabinet komt met een extra overbruggingskrediet voor kleine bedrijven die getroffen zijn door de coronacrisis. De leningen worden verstrekt door banken en de overheid staat voor 95% garant. Dit melden minister Wiebes en staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaatbeleid in een brief aan de Tweede Kamer.

NTFR 2020/1344 - COVID-19: Regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers gepubliceerd

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
De sierteeltsector, delen van de voedingstuinbouw en telers van fritesaardappelen kunnen een tegemoetkoming aanvragen om de omzetschade door de coronamaatregelen voor een deel te kunnen compenseren. Het gaat om bedrijven die in het hoogseizoen te maken hebben met acute vraaguitval van bederfelijke producten, terwijl de kosten doorlopen. De regeling is op 8 mei 2020 definitief geworden, na groen licht van de Europese Commissie. Minister Schouten van LNV heeft in een brief de Tweede Kamer geïnformeerd over de nadere invulling van de aanvullende tegemoetkoming voor de sierteeltsector, delen van de voedingstuinbouw en de fritesaardappelsector.

NTFR 2020/1348 - COVID-19: Besluit met goedkeuringen eigenwoningschuld in verband met betaalpauze door coronavirus

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft een beleidsbesluit gepubliceerd met goedkeuringen voor gevallen waarin een schuldenaar zijn verplichtingen in verband met zijn eigenwoningschuld niet kan nakomen door de uitbraak van het coronavirus. Door de goedkeuringen in het beleidsbesluit blijft de eigenwoningschuld die onder de fiscale aflossingseis valt tot de eigenwoningschuld behoren als de schuldenaar met de geldverstrekker een betaalpauze voor rente en aflossing is overeengekomen en de aflossingsachterstand op een andere dan de wettelijke wijze wordt ingehaald. Ook wordt in het beleidsbesluit toegelicht wanneer de tijdens de betaalpauze verschuldigde rente aftrekbaar is.

NTFR 2020/1350 - COVID-19: Overeenkomst met België over toepassing belastingverdrag op grensarbeiders

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
De bevoegde autoriteiten van België en Nederland hebben een overeenkomst gesloten over de toepassing van het belastingverdrag op grensarbeiders en de gevolgen van de COVID-19-gerelateerde maatregelen. In lijn met de vergelijkbare overeenkomst met Duitsland van 10 april 2020 (NTFR 2020/1121) wordt hierbij voor grensarbeiders die vanwege de door een overheid getroffen maatregelen thuis (moeten) werken, goedgekeurd dat die thuiswerkdagen worden aangemerkt als werkdagen in de staat waar de werkzaamheden zonder de coronamaatregelen zouden zijn verricht. Voor thuiszitdagen waarop normaliter zou zijn gewerkt, nemen beide landen het standpunt in dat voor de verdragstoepassing op het daarvoor door de werkgever doorbetaalde loon wordt aangesloten bij de plaats waar de werkzaamheden normaliter, dus zonder de coronacrisis, zouden zijn verricht. Bij inwoners van Nederland die in België werken en die als gevolg van de coronacrisis recht hebben op Belgische tijdelijke werkloosheidsuitkeringen, vallen deze uitkeringen, als de dienstbetrekking in stand blijft, in beginsel onder art. 18, lid 6, Verdrag. Dit betekent dat deze werkloosheidsuitkeringen mogen worden belast in de staat waar de beloningen genoten ter zake van de daadwerkelijk vervulde dienstbetrekking mogen worden belast. Het gebruikelijke werkpatroon vóór de coronacrisis is hiervoor dus van belang.

NTFR 2020/1353 - COVID-19: Uitwerking compensatie voor zorgaanbieders van zorgverzekeraars

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
Zorgverzekeraars Nederland heeft de uitwerking van de maandelijkse continuïteitsbijdrageregeling voor zorgaanbieders gepubliceerd. Zorgverzekeraars Nederland liet 5 april al weten gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorgaanbieders in mei, met terugwerkende kracht tot 1 maart van dit jaar, financieel te gaan ondersteunen met een maandelijkse continuïteitsbijdrage. Veel zorgaanbieders met acute financiële problemen kunnen sinds april al een vooruitbetaling aanvragen, zodat zij toch hun rekeningen kunnen betalen en hun bedrijf kunnen voortzetten. Nu presenteren de zorgverzekeraars de uitwerking. Vanaf 15 mei wordt deze gefaseerd opengesteld voor verschillende groepen zorgaanbieders. Dit is een gezamenlijke regeling van alle zorgverzekeraars met uitzondering van twee kleine zorgverzekeraars: iptiQ heeft over deelname aan de regeling nog geen besluit genomen en Eucare kiest voor een eigen, afwijkende regeling.

NTFR 2020/1355 - Verwerking en bescherming persoonsgegevens

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. J.D. Schouten
Brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarin zij uiteenzet niet in hoger beroep te gaan tegen een uitspraak van de rechter inzake het Systeem Risico Indicatie (SyRI). Dit instrument gebruikten de gemeenten om fraude en misbruik met uitkeringen, toeslagen en belastingen te voorkomen en te bestrijden. Deze regelgeving is in strijd met art. 8, lid 2, EVRM. Dit betekent dat SyRI in de huidige vorm niet meer mag worden toegepast.

NTFR 2020/1356 - Stand van zaken applicatie voor Fraude Signalering Voorziening

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. J.D. Schouten
Staatssecretarissen Vijlbrief en Van Huffelen van Financiën gaan in deze brief in op onder meer de werking van de Fraude Signaleringsvoorziening (FSV). Tegelijkertijd geven ze ook aan dat er meer tijd nodig is voor onderzoek naar de werking, toepassing en het precieze gebruik van FSV binnen de Belastingdienst. Daarnaast wordt met intern toezicht de naleving van privacywetgeving versterkt, en wordt ook gekeken of extern toezicht kan helpen. Deze brief is een vervolg op de brief aan de Kamer van 2 maart 2020. In de onderhavige brief wordt verslag gedaan aan de hand van een aantal vragen om de benodigde informatie boven tafel te krijgen. Die is nog niet volledig. De vragen zijn:

NTFR 2020/1357 - Brief aan Tweede Kamer over inkomensongelijkheid

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft op verzoek van de Tweede Kamer gereageerd op een brief over inkomensongelijkheid door het belastingstelsel. In deze brief komt het artikel uit de ESB ‘Statistische keuzes vegen helft inkomensongelijkheid onder het tapijt’ aan de orde. Daarin wordt beargumenteerd dat de inkomensongelijkheid wordt onderschat en dat het belastingstelsel de inkomensongelijkheid niet vermindert. De staatssecretaris verwijst naar de recente beantwoording van Kamervragen naar aanleiding van het artikel (NTFR 2020/964) en herhaalt dat het kabinet vindt dat het huidige belastingstelsel een evenwichtige lastenverdeling bevat.

NTFR 2020/1358 - Nationaliteit in risico- en selectieregels

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. J.D. Schouten
In de Voortgangsrapportage Toeslagen bij de brief Voortgang van de hersteloperatie Toeslagen van 28 april jl. is op p. 15 een tekst opgenomen over het gebruik van nationaliteit in risicomodellen en selectieregels bij de Belastingdienst (buiten Toeslagen): ‘Daarnaast zijn bij de overige onderdelen van de Belastingdienst de risicomodellen en de selectieregels van de Belastingdienst doorgelicht op het gebruik van nationaliteit. Naar aanleiding hiervan is de tweede nationaliteit uit de risicomodellen en selectieregels verwijderd. De eerste nationaliteit is hier slechts nog in opgenomen, als daar een wettelijke grondslag voor bestaat en noodzakelijk is om de taken uit te voeren. Hierbij kan gedacht worden aan specifieke gevallen in de Loonheffing.’

NTFR 2020/1359 - Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) wordt over vennoten verdeeld I

ECLI:NL:HR:2020:825, datum uitspraak 01-05-2020, publicatiedatum 01-05-2020
Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 met annotatie van mr. B. Jorissen
Belanghebbende drijft samen met zijn broer een vof. Beide vennoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de winst en hebben in 2016 gezamenlijk een bedrag van € 119.385 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen. Hof Den Haag (3 april 2019, nr. 18/01130, NTFR 2019/1145) heeft geoordeeld dat bij het totale investeringsbedrag van de vof (€ 119.385) een bedrag aan KIA behoort van € 14.505, en dat dit bedrag bij helfte moet worden verdeeld over belanghebbende en zijn broer. De Hoge Raad laat deze beslissing in stand, maar overweegt nog het volgende. Iedere vennoot drijft een eigen onderneming. De berekening van de winst en van de KIA vindt dan ook per individuele vennoot plaats. Maakt de onderneming van een belastingplichtige deel uit van een samenwerkingsverband, dan worden voor de berekening van de KIA van de belastingplichtige de investeringen van het samenwerkingsverband samengeteld (art. 3.41, lid 3, Wet IB 2001). Ook als een lid van een samenwerkingsverband buitenvennootschappelijke investeringen doet, wordt het daarmee gemoeide investeringsbedrag meegeteld. Hetzelfde geldt voor eventuele investeringen van de belastingplichtige in andere ondernemingen. Het aldus berekende bedrag wordt naar evenredigheid van de eigen investering verdeeld. In deze opzet is geen wijziging gekomen nu sinds 2010 in de tabel van art. 3.41, lid 2, Wet IB 2001 niet meer alleen percentages worden genoemd. Dit betekent dat belanghebbende een bedrag aan KIA in aanmerking kan nemen van (€ 59.692,50/€ 119.385) x € 14.505, ofwel € 7.252,42

NTFR 2020/1360 - Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) wordt over vennoten verdeeld II

ECLI:NL:HR:2020:827, datum uitspraak 01-05-2020, publicatiedatum 01-05-2020
Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 met annotatie van mr. B. Jorissen
Belanghebbende drijft samen met haar echtgenoot een vof. Beide vennoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de winst en hebben in 2016 gezamenlijk een bedrag van € 83.476 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen. Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat bij het totale investeringsbedrag van de vof (€ 83.476) een bedrag aan KIA behoort van € 15.687. Hiervan schuift € 2.347 door naar 2017, waardoor een totale KIA resteert van € 13.340, en dat dit bedrag bij helfte moet worden verdeeld over belanghebbende en haar echtgenoot. De Hoge Raad laat deze beslissing in stand, maar overweegt nog het volgende. Iedere vennoot drijft een eigen onderneming. De berekening van de winst en van de KIA vindt dan ook per individuele vennoot plaats. Maakt de onderneming van een belastingplichtige deel uit van een samenwerkingsverband, dan worden voor de berekening van de KIA van de belastingplichtige de investeringen van het samenwerkingsverband samengeteld (art. 3.41, lid 3, Wet IB 2001). Ook als een lid van een samenwerkingsverband buitenvennootschappelijke investeringen doet, wordt het daarmee gemoeide investeringsbedrag meegeteld. Hetzelfde geldt voor eventuele investeringen van de belastingplichtige in andere ondernemingen. Het aldus berekende bedrag wordt naar evenredigheid van de eigen investering verdeeld. In deze opzet is geen wijziging gekomen nu sinds 2010 in de tabel van art. 3.41, lid 2, Wet IB 2001 niet meer alleen percentages worden genoemd. Dit betekent dat belanghebbende een bedrag aan KIA in aanmerking kan nemen van (€ 41.738/€ 83.476) x € 15.687, ofwel € 7.843,50. Wordt een bedrijfsmiddel nog niet in gebruik genomen, dan schuift de KIA door naar een volgend jaar (art. 3.44 Wet IB 2001). In dit geval wordt ervan uitgegaan dat het aandeel van belanghebbende in de doorgeschoven KIA de helft daarvan bedraagt, zodat belanghebbende recht heeft op een KIA van € 7.843,50 minus € 1.173,50, ofwel € 6.670.

NTFR 2020/1367 - Toelichting foutmelding werknemersgegevens eerste halfjaar 2020

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. M. Gerardu-Houben
De Belastingdienst heeft een ‘Toelichting foutmelding werknemersgegevens eerste half jaar 2020’ gepubliceerd. De toelichting is een aanvulling op de ‘gegevensspecificaties aangifte loonheffingen 2020’ en bevat informatie over de wijze waarop fouten in de werknemersgegevens in de aangifte loonheffingen kenbaar worden gemaakt en vervolgens hersteld kunnen worden.

NTFR 2020/1370 - Ook massaal bezwaar box 3 over 2019

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met als bijlage een afschrift van de Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting 2019 als massaal bezwaar. De bezwaarschriften tegen de vermogensrendementsheffing (box 3-heffing) in de aanslagen inkomstenbelasting over de belastingjaren 2017 en 2018 zijn aangewezen als massaal bezwaar, maar hebben nog niet geleid tot een arrest van de Hoge Raad. Omdat de Belastingdienst verwacht dat veel belastingplichtigen ook voor het jaar 2019 bezwaar zullen maken tegen de box 3-heffing, wijst de staatssecretaris ook de bezwaarschriften tegen de box 3-heffing in de aanslag inkomstenbelasting 2019 aan als massaal bezwaar.

NTFR 2020/1372 - Tweede Kamervragen beantwoord over de tegemoetkoming specifieke zorgkosten

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Tweede Kamervragen beantwoord over de tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ). De vragensteller veronderstelt een vertraging in het vaststellen en uitbetalen van de TSZ. De staatssecretaris meldt echter dat daarvan geen sprake is. Van een financieel nadeel ten gevolge van vertraging is dan ook geen sprake. Wel kan het voorkomen dat de TSZ-beschikking niet elk jaar op hetzelfde moment wordt gegeven omdat de aanslag inkomstenbelasting daarvoor bepalend is. De TSZ-beschikkingen worden immers gebaseerd op en vastgesteld binnen zes maanden na de definitieve aanslagen inkomstenbelasting van het betreffende jaar. Er is dan echter geen sprake van vertraging; het is onderdeel van het reguliere proces.

NTFR 2020/1374 - Bewindvoeringsactiviteiten zijn niet vrijgesteld van omzetbelasting

ECLI:NL:RBDHA:2020:3029, datum uitspraak 05-03-2020, publicatiedatum 06-04-2020
Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 met annotatie van mr. N. Arzini
De activiteiten van belanghebbende bestonden uit bewindvoering. Belanghebbende wordt bij beschikking door de kantonrechter aangewezen als bewindvoerder en ontvangt voor haar werkzaamheden een vergoeding. In geschil is of deze diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Belanghebbende heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat haar werkzaamheden in het kader van de schuldenbewindvoering alleen zien op schuldhulpverlening in de zin van de vrijstelling als bedoeld in art. 7, lid 1, Uitvoeringsbesluit UB en post b33 van bijlage B bij het UB (de vrijstelling). Belanghebbende heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waaruit haar werkzaamheden in het kader van schuldenbewindvoering bestaan en zij heeft evenmin stukken overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid, zoals een plan van aanpak. Dat belanghebbende in afwijking van het schuldbemiddelingsverbod van art. 47, lid 1, Wet op het consumentenkrediet als bewindvoerder kan worden aangesteld, brengt niet mee dat de werkzaamheden van belanghebbende moeten worden aangemerkt als schuldhulpverlening of dat daarmee automatisch de vrijstelling op haar dienstverlening van toepassing is. De diensten van belanghebbende zijn derhalve niet vrijgesteld. De rechtbank vernietigt, conform het standpunt van de inspecteur, nog wel de boetes.

NTFR 2020/1375 - Belanghebbende maakt terecht aanspraak op toepassing historisch tarief

ECLI:NL:HR:2020:822, datum uitspraak 30-04-2020, publicatiedatum 01-05-2020
Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020
Belanghebbende heeft ter zake van een uit een andere lidstaat overgebrachte Volvo V60 2.0, D4 Ocean Race op 25 oktober 2013 aangifte voor de BPM gedaan. De datum van eerste toelating van de auto is 31 augustus 2012. De auto is op 8 januari 2014 geregistreerd. Bij de aangifte is een taxatierapport overgelegd van 22 oktober 2013. In dit taxatierapport is een handelsinkoopwaarde vermeld van € 2.353 (koerslijstwaarde van € 26.509 verminderd met € 24.156 wegens schade). De inspecteur heeft op 30 oktober 2013 een hertaxatie laten uitvoeren, waarbij de taxateur de handelsinkoopwaarde heeft vastgesteld op € 13.000 (verkoopwaarde van € 38.000 verminderd met een handelsmarge van € 3.000 en € 22.000 wegens schade). Op 21 april 2015 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur, door de naheffingsaanslag pas anderhalf jaar na de hertaxatie op te leggen, het vertrouwen heeft gewekt dat de aangifte akkoord was bevonden. Hof Arnhem-Leeuwarden (24 juli 2018 nr. 16/01468, NTFR 2018/2259) is van oordeel dat het enkele tijdsverloop tussen de hertaxatie en de naheffingsaanslag niet tot gevolg heeft dat de inspecteur zijn bevoegdheid tot naheffing heeft verspeeld (rechtsverwerking). Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de naheffingstermijn van vijf jaren in strijd is met het Unierecht omdat handelaren die handelen in tweedehandsauto’s die al in Nederland rondrijden niet het risico lopen dat BPM wordt nageheven. Hierdoor belemmert de BPM bij invoer volgens belanghebbende de handel in gebruikte voertuigen uit andere lidstaten. Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat de mogelijkheid tot naheffing van BPM direct voortvloeit uit de mogelijkheid tot heffing van BPM en daarvan onderdeel uitmaakt. BPM is geen verboden heffing, mits wordt uitgesloten dat op een uit een andere lidstaat afkomstig voertuig een hoger bedrag aan BPM komt te rusten dan op al in het binnenland aanwezige gelijksoortige voertuigen rust. Me t betrekking tot de invloed van de schade heeft het hof geoordeeld dat niet iedere euro aan schade of herstelkosten geheel in aftrek komt op de handelsinkoopwaarde van een voertuig. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade € 24.156,29 is. Met een waardevermindering als gevolg van schade van € 22.000 is de handelsinkoopwaarde van de auto volgens het hof zeker niet te hoog vastgesteld. Tot slot heeft belanghebbende in hoger beroep gesteld dat zij ook een beroep kan doen op het historische tarief geldend van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012. Het hof heeft belanghebbende in dit standpunt gevolgd. Uit HvJ 19 december 2013, zaak C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857 vloeit voort dat de Wet BPM zodanig moet zijn ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten, en dat bijgevolg geen discriminerende gevolgen ontstaan (punt 41). Die discriminerende gevolgen kunnen slechts worden voorkomen indien kan worden gekozen voor het laagste restbedrag van de BPM dat nog is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde gebruikte voertuigen (punt 42). Niet is uitgesloten dat voertuigen die net als de auto van belanghebbende op 31 augustus 2012 te naam zijn gesteld en die overigens gelijksoortig zijn, vóór de verhoging van het tarief zijn ingeschreven in het kentekenregister. Op deze gelijksoortige voertuigen rust een bedrag aan rest-BPM dat is berekend op basis van het lagere voorafgaande tarief. Om te voorkomen dat op de auto een hoger bedrag aan BPM komt te rusten in vergelijking met deze voertuigen, moet voor belanghebbende de mogelijkheid openstaan te kiezen voor dit lagere tarief. Belanghebbende maakt terecht aanspraak op toepassing van het historische tarief.

NTFR 2020/1386 - Aan verzoek tot ambtshalve vermindering is tegemoetgekomen, dus is besluit tot ambtshalve vermindering niet voor bezwaar vatbaar

ECLI:NL:HR:2020:819, datum uitspraak 01-05-2020, publicatiedatum 01-05-2020
Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 met annotatie van mr. drs. F de Jong
Aan belanghebbende is op 22 juli 2015 overeenkomstig de aangifte een aanslag IB/PVV 2013 opgelegd naar een inkomen van € 22.674. Belanghebbende doet in 2017 een herziene aangifte naar een inkomen van € 22.672. De inspecteur heeft dit aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering in de zin van art. 9.6 Wet IB 2001. De inspecteur heeft bij beschikking het inkomen nader vastgesteld op € 22.672, maar dit heeft niet geleid tot een vermindering van de aanslag. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld. De rechtbank heeft de inspecteur opgedragen het beroepschrift in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de ambtshalve vermindering. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur is immers volledig tegemoetgekomen aan het verzoek tot ambtshalve vermindering door het inkomen met € 2 te verminderen, ook al leidt dit niet tot een lagere aanslag. Daarom is op grond van art. 9.6, lid 3, Wet IB 2001 het besluit tot ambtshalve vermindering niet een voor bezwaar vatbare beschikking. De rechtbank had dus niet aan de inspecteur mogen opdragen het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen.

NTFR 2020/1387 - Hof verzuimt vergoeding toe te kennen voor griffierecht rechtbank

ECLI:NL:HR:2020:699, datum uitspraak 17-04-2020, publicatiedatum 17-04-2020
Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 met annotatie van C. Presilli
In het kader van een WOZ-procedure heeft de heffingsambtenaar in strijd met art. 8:42 Awb het verslag van de in bezwaar gehouden hoorzitting niet overgelegd. Hof Amsterdam (15 augustus 2019, nr. 18/00153, NTFR 2019/2287) heeft daarin aanleiding gezien de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van het beroep en het hoger beroep. Het hof heeft daarom de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover die ziet op de proceskostenvergoeding. Het hof heeft een vergoeding toegekend voor de proceskosten en voor het in hoger beroep betaalde griffierecht. Volgens de Hoge Raad had het hof op grond van art. 8:114 Awb ook een vergoeding moeten toekennen voor het bij de rechtbank betaalde griffierecht, aangezien het hof de uitspraak van de rechtbank heeft vernietigd.

NTFR 2020/1397 - Uitlatingen UWV wekken vertrouwen voor door inspecteur vast te stellen premiepercentage Werkhervattingskas

ECLI:NL:PHR:2020:316, datum uitspraak 02-04-2020, publicatiedatum 01-05-2020
Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 met annotatie van mr. P.G.M. Jansen
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of door het UWV een toezegging is gedaan over het niet verhalen op de werkgever van een WGA-uitkering, waaraan de inspecteur gebonden is bij zijn latere premievaststelling.

NTFR 2020/1398 - Beantwoording Eerste Kamervragen wetsvoorstel Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. dr. E.A.M. Huiskers
Bij memorie van antwoord van 17 februari 2020 (Kamerstukken I, 2019-2020, 35 179, nr. C) reageert de minister van Financiën (Hoekstra) op het bij de Eerste Kamer ingediende wetsvoorstel Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten (35 179). Onder meer worden vragen beantwoord over:

NTFR 2020/1399 - WOB-verzoek inkeerbeleid Belastingdienst

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. dr. E.A.M. Huiskers
Uitgangspunt van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) is dat overheidsdocumenten in het belang van een goede en democratische bestuursvoering op verzoek openbaar worden gemaakt. De staatssecretaris van Financiën komt tegemoet aan een WOB-verzoek om het beleid van de Belastingdienst over de toepassing van de inkeerregeling (art. 67n AWR) openbaar te maken. Meer in het bijzonder wordt verzocht om de geactualiseerde versie van de memo ‘Aandachtspunten projecten Vermogen in het Buitenland (ViB-projecten)’. In reactie op het verzoek maakt de staatssecretaris in de bijlage bij zijn brief van 2 maart 2020 de memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen (versienummer 7)’ bekend. Aan de openbaarmaking stelt de staatssecretaris de volgende beperkingen:

NTFR 2020/1402 - Vereenvoudiging dwanginvordering

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. J.D. Schouten
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst biedt de Tweede Kamer het ontwerp aan van het Koninklijk Besluit tot inwerkingtreding van art. XXII van de Overige fiscale maatregelen 2018. Ingevolge dit ontwerp treedt art. XXII van de Overige fiscale maatregelen 2018 op 1 juli 2020 in werking.

NTFR 2020/1403 - Terugvordering of herziening voorschotten op toeslagen

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. J.D. Schouten
Kamervragen van het lid Omtzigt (CDA) aan de staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane over een uitspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3572, waardoor waarschijnlijk miljoenen beschikkingen van de Belastingdienst/toeslagen over terugvordering of herzieningen van voorschotten op toeslagen in de afgelopen vijf jaar niet rechtsgeldig zijn en dus niet in werking zijn getreden. De staatssecretaris gaat uitvoerig in op de problematiek dat ongeveer 20 miljoen herziene voorschotbeschikkingen toeslagen sinds 2015 niet op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Deze besluiten zijn digitaal verzonden en niet, zoals dat ook had moeten gebeuren, per post. De staatssecretaris heeft inmiddels besloten om de bijlage bij de Regeling elektronische berichtenverkeer Toeslagen per 1 juli 2020 aan te passen zodat de huidige uitvoeringspraktijk kan worden voortgezet. In de beantwoording geeft de staatsecretaris de werkwijze aan met betrekking tot de vraag wat gedaan moet worden met de circa 20 miljoen herziene voorschotbeschikkingen die sinds 2015 alleen elektronisch zijn verzonden.

NTFR 2020/1404 - Minimumdoelstelling terugvorderen van toeslagen

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door mr. J.D. Schouten
Antwoorden van de staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op vragen van het lid Leijten (SP) over morele corruptie bij de Belastingdienst door het stellen van een minimumbedrag voor het terugvorderen van toeslagen. Uit de antwoorden blijkt dat het opsporen van fraude ook moet plaatsvinden als het opsporen meer kost dan het oplevert. Dat is ook de reden dat er niet meer gewerkt wordt met een businesscase of de monitoring daarop. Daarnaast wordt aandacht besteed aan achterstanden bij bezwaar en beroep en aan de vraag op welke wijze die achterstanden kunnen worden ingelopen. Ten slotte wordt antwoord gegeven op de vraag of meer onderdelen van de Belastingdienst moesten voldoen aan minimumnormen. Bij opsporingsactiviteiten van de FIOD en de aanpak van fraude zijn doelstellingen afgesproken om een bepaald resultaat te behalen.

NTFR 2020/1405 - Belastingregeling Italië-Portugal over pensioenen niet in strijd met EU-recht

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 met annotatie van mr. dr. J.J.A.M. Korving
beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, gepensioneerde die in een andere lidstaat verblijft dan de lidstaat die zijn pensioen uitbetaalt en die niet de nationaliteit heeft van de lidstaat van verblijf, inkomstenbelasting, verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing, vrij verkeer van personen, werknemers uit de publieke sector

NTFR 2020/1407 - Op weg naar balans in de vennootschapsbelasting: analyses en aanbevelingen

Aflevering 19-20, gepubliceerd op 14-05-2020 geschreven door prof. dr. J. Vleggeert
De adviescommissie belastingheffing van multinationals, die op verzoek van de Tweede Kamer door de staatssecretaris van Financiën is ingesteld, heeft zich gebogen over de vraag ‘hoe kunnen multinationals in Nederland eerlijker belasting gaan betalen?’ Daarbij moest de commissie er tegelijkertijd voor zorgen dat Nederland aantrekkelijk blijft voor Nederlandse hoofdkantoren. De commissie heeft geen inzage gehad in alle relevante cijfers van individuele bedrijven. Veel cijfers zijn bedrijfsvertrouwelijk, en die vertrouwelijkheid gold ook jegens de commissie. De commissie pleit daarom voor meer onderzoek. De commissie beveelt verder aan om te komen tot adequate internationale afspraken op het gebied van winstbelastingen. Bovendien is de commissie voor een pakket aan nationale maatregelen. Dit pakket is in het rapport opgenomen onder de noemer ‘basisvariant’. Hieraan liggen twee doelstellingen ten grondslag: (i) het creëren van een ondergrens in de VPB voor bedrijven met winstgevende activiteiten in Nederland, en (ii) het elimineren van verschillen (mismatches) met het buitenland.