Aflevering 29

Gepubliceerd op 21 juli 2016

NTFR 2016/1841 - BEPS in 2026

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016 geschreven door prof. dr. H. Vording
Nu de stofwolken van het BEPS-project wat neerdalen, onder meer in het Anti-Avoidance pakket zoals dat door de ECOFIN is aanvaard,De aanvaarde versie van de ATAD is gepubliceerd als ‘Council of the European Union, Outcome of Proceedings’, FISC 104, ECOFIN 628, Brussels, 17 June 2016. is het een mooi moment om de stand van zaken eens op te maken. Waar gaat dit project toe leiden, en ook: wat is er al in beweging gekomen?

NTFR 2016/1845 - A-G Niessen concludeert tot verwijzing in zaak over vraag of Slowaakse ijzervlechters in (fictieve) dienstbetrekking werkzaam zijn

ECLI:NL:PHR:2016:501, datum uitspraak 31-05-2016, publicatiedatum 17-06-2016
Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016 met annotatie van mr. H.J. Noordenbos
Belanghebbende is onderdeel van het X-concern, waarvan de activiteiten bestaan uit het buigen en vlechten van ijzer en de verwerking daarvan in bouwwerken in Nederland. In 2005 heeft belanghebbende Slowaakse arbeidskrachten ingezet. Tussen belanghebbende en de Slowaakse ijzervlechters is bemiddeld door F bv. Deze vennootschap regelde onder meer de huisvesting voor de Slowaken, verrichtte tolkwerkzaamheden en stelde facturen aan en mandagenregisters voor belanghebbende op. De inspecteur neemt het standpunt in dat sprake is van (fictieve) dienstbetrekkingen tussen belanghebbende en de Slowaken en heeft daarom een naheffingsaanslag LB/PVV en een vergrijpboete opgelegd.

NTFR 2016/1846 - Gebruik van de g-rekening door zzp’ers

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016
De staatssecretaris van Financiën heeft Tweede Kamervragen beantwoord over de fiscale behandeling van zzp’ers. Daarbij is met name het gebruik van de g-rekening door zzp’ers aan de orde geweest. Het gebruik daarvan voor zzp’ers wil de staatssecretaris in overweging nemen.

NTFR 2016/1850 - Erfpachtcanon niet aftrekbaar als kosten eigen woning

ECLI:NL:HR:2016:1353, datum uitspraak 08-07-2016, publicatiedatum 08-07-2016
Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016 met annotatie van mr. A.J.M. Arends
Belanghebbende was eigenaar van een perceel grond en de daarop gestichte woning. In 2006 heeft hij de grond aan zijn twee kinderen verkocht en geleverd onder voorbehoud van voortdurende rechten van erfpacht en opstal. De kinderen zijn de koopsom van € 800.000 schuldig gebleven. Belanghebbende heeft de vorderingen ter zake van verschuldigde koopsom op zijn beide kinderen in twee gelijke delen in 2006 en 2007 kwijtgescholden. In verband hiermee is in 2006 en 2007 van beide kinderen recht van schenking geheven. In 2007 en 2008 heeft belanghebbende in verband met de verschuldigde erfpachtcanon aan zijn kinderen een bedrag voldaan van in totaal € 45.000. In geschil is of hij dat bedrag in aftrek mag brengen als kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in art. 3.120, lid 1, onderdeel b, Wet IB 2001. Hof Amsterdam 6 augustus 2015, nr. 14/00747 (NTFR 2015/3180) heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het hof heeft daarbij onderzocht of een direct verband bestaat tussen de erfpachtcanon en de aankoop (dan wel het onderhoud of de verbetering) van een eigen woning. Volgens het hof was dit niet het geval. De Hoge Raad onderschrijft dat oordeel. Het cassatieberoep is derhalve ongegrond.

NTFR 2016/1855 - Geen MIA voor investering in hotel-restaurant waarbij niet uitsluitend gecertificeerd hout is gebruikt

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016 met annotatie van mr. D.C. Simonis
Belanghebbende heeft in het kader van een verbouwing van haar hotel-restaurant een investering gedaan van meer dan € 1.000.000 in de keuken en het restaurant. De investering geldt als investering in een ‘nieuw gebouw voor gecertificeerde dienstverlening’. Het hout dat is gebruikt bij de verbouwing is niet uitsluitend duurzaam, gecertificeerd hout. Voor de inspecteur is dit reden geweest om de aanspraak van belanghebbende op de milieu-investeringsaftrek (MIA) te weigeren. Hof Den Haag (7 juli 2015, nr. 14/01598, NTFR 2015/2142) heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Ook bij de Hoge Raad krijgt belanghebbende nul op het rekest. In de regelgeving is voor de onderhavige MIA de voorwaarde gesteld dat ‘het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam is’. In het licht van de milieudoelstelling van de MIA moet deze voorwaarde aldus worden uitgelegd dat al het aangeschafte hout dat verwerkt wordt in het gebouw duurzaam is. De onderhavige investering voldoet daaraan niet. Het beleid van de inspecteur om bij investeringen waarbij voor ten hoogste € 500 aan niet-gecertificeerd hout is gebruikt, de MIA niet te weigeren, vormt geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Door niet te differentiëren naar omvang van de investering wordt namelijk gewaarborgd dat in alle gevallen niet meer dan slechts een gering deel van het investeringsbedrag aan niet-gecertificeerd hout, tegen de bedoeling van de regeling in, deelt in de investeringsfaciliteit.

NTFR 2016/1856 - Hoge Raad verwijst zaak voor onderzoek of vermogenstoename door garantstelling winst of informeel kapitaal vormt

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016 met annotatie van mr. F. van Horzen
Belanghebbende is onderdeel van een Japans concern dat meet- en positioneringsapparatuur produceert. Zij is moedermaatschappij van een fiscale eenheid waartoe ook dochter C behoort. Belanghebbende heeft ook een Amerikaanse zustervennootschap D. C heeft producten aan E, een tot 31 maart 2010 niet gelieerde Spaanse distributeur, geleverd. C heeft handelsvorderingen op die distributeur. Vanwege de slechte financiële situatie van de distributeur heeft belanghebbende de vorderingen ten laste van de winst afgewaardeerd. D heeft in 2010 voor € 1 alle aandelen in de Spaanse distributeur verworven en de voldoening van diens verplichtingen jegens belanghebbende gegarandeerd. Na de garantstelling heeft belanghebbende de vorderingen op E commercieel op nominale waarde geboekt. Fiscaal heeft belanghebbende tegenover het opwaarderen een kapitaalstorting geboekt. De inspecteur heeft de opwaardering echter als belastbare winst aangemerkt. Volgens Hof Den Haag (10 juni 2015, nr. 14/00389, NTFR 2015/2016) is dat terecht. De garantstelling door D vond volgens het hof namelijk niet haar oorzaak in de vennootschappelijke betrekkingen. De Hoge Raad acht dit oordeel echter niet deugdelijk gemotiveerd. Hij merkt in dit verband onder meer op dat:

NTFR 2016/1860 - Herzien besluit over inkoop van aandelen (voor werknemersopties)

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016
De staatssecretaris van Financiën heeft een besluit gepubliceerd over de inkoop van aandelen in verband met werknemersopties en aandelenplannen. Dit ziet zowel op de dividendbelasting als de vennootschapsbelasting. Het betreft een actualisatie van het besluit van 18 oktober 2005, nr. CPP2005/1689M (NTFR 2005/1404). Gewijzigd zijn enkele verouderde verwijzingen, ook is op sommige punten de redactie ter verduidelijking iets gewijzigd. Inhoudelijke wijziging is niet beoogd.

NTFR 2016/1869 - Ook rechtspersonen kunnen een beroep doen op betalingsonmacht griffierecht

ECLI:NL:GHSHE:2016:706, datum uitspraak 26-02-2016, publicatiedatum 20-06-2016
Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016 met annotatie van mr. P.A. Caljé
Belanghebbende, een bv, heeft in hoger beroep gevraagd om kwijtschelding van het te betalen griffierecht. Het hof overweegt dat HR 20 februari 2015, nr. 14.05176, NTFR 2015/972, waarin richtlijnen voor de behandeling van een beroep op betalingsonmacht griffierecht zijn opgenomen, ziet op natuurlijke personen. Het hof is van oordeel dat onder omstandigheden ook rechtspersonen in aanmerking moeten kunnen komen voor kwijtschelding van griffierecht. Belanghebbende is een holding zonder activiteiten, heeft vanaf de oprichting in 2004 jaarlijks een verlies gemaakt van enkele duizenden euro’s, heeft al jaren een negatief eigen vermogen en door de dochtervennootschappen werd geen dividend uitgekeerd. Het hof concludeert dat de winst en het vermogen van belanghebbende en haar dochtervennootschappen ontoereikend zijn om het griffierecht te betalen. Ook de enig aandeelhouder van belanghebbende (de gemachtigde) is, gelet op zijn geloofwaardige en onweersproken verklaringen over zijn financiële situatie, niet in staat de geldelijke middelen te verstrekken om het verschuldigde griffierecht te voldoen. Het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht griffierecht slaagt derhalve. Inhoudelijk oordeelt het hof dat de verzuimboete verminderd dient te worden naar € 500. Ten aanzien van de proceskosten oordeelt het hof dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, omdat een beroepsmatig karakter niet aannemelijk is geworden.

NTFR 2016/1872 - Internetconsultatie Wet bevordering mediation

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016
De minister voor Veiligheid en Justitie en de minister voor Wonen en Rijksdienst leggen het wetsvoorstel Wet bevordering mediation via internet ter consultatie voor. Om het gebruik van mediation bij geschillenbeslechting te stimuleren wordt een overheidsregister voorgesteld waarin mediators kunnen worden opgenomen die aan bepaalde, wettelijk te regelen kwaliteitseisen voldoen. Ingeschreven mediators mogen dan de wettelijk beschermde term ‘beëdigd mediator’ voeren, maar zullen onderworpen zijn aan tuchtrecht. Dit moet bijdragen aan meer vertrouwen in een professioneel verloop van mediation als gebruik wordt gemaakt van beëdigd mediators. Andere stimuleringsmaatregelen betreffen het introduceren van mediation in de Awb en het stuiten van de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen als gebruik wordt gemaakt van beëdigd mediators.

NTFR 2016/1874 - Eerste Kamer akkoord met voorkoming misbruik Wet openbaarheid van bestuur

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016
De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel dat misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) dient te voorkomen. Aan dit wetsvoorstel en de memorie van toelichting is eerder aandacht besteed in NTFR 2015/1410 en NTFR 2015/351. Het gewijzigd voorstel van wet en de memorie van antwoord zijn als brondocument bijgevoegd. De aangenomen wijzigingen sluiten de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen met ingang van 1 oktober 2016 uit voor toepassing van de Wob. Misbruik van de Wob door het doen van verzoeken die niet gericht zijn op het verkrijgen van informatie, maar puur gericht zijn op het innen van een dwangsom, wordt nu ontmoedigd. Ook komt de indiener van een verzoek gericht op misbruik van de Wob niet in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht. Bestuursorganen blijven wel verantwoordelijk voor een tijdige beslissing op het Wob-verzoek. Gebeurt dat niet dan blijft de mogelijkheid voor de burger bestaan om een rechtstreeks beroep te doen op de rechter.

NTFR 2016/1878 - Wetsvoorstel tot uitdrukkelijke goedkeuring belastingverdrag met Zambia ingediend

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016
Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel ingediend tot uitdrukkelijke goedkeuring van het op 15 juli 2015 tot stand gekomen belastingverdrag met Zambia. Dit verdrag ziet toe op belastingen naar het inkomen. Het verdrag voorziet onder meer in een bronheffing van maximaal 5% voor deelnemingsdividenden en dividenden betaald aan pensioenfondsen en van 15% voor overige dividenden, van 10% voor interest en van 7,5% voor royalty’s. Ook bevat het verdrag antimisbruikbepalingen en bepalingen over de uitwisseling van informatie en de bijstand bij invordering.

NTFR 2016/1894 - Reactie staatssecretaris op vermeende belastingontwijking door grote Nederlandse bedrijven

Aflevering 29, gepubliceerd op 21-07-2016
In opdracht van de FNV heeft Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) een onderzoek verricht naar de gemiddelde effectieve wereldwijde belastingdruk van 151 grote Nederlandse bedrijven. De uitkomsten zouden een indicatie moeten geven van de mate waarin deze bedrijven belasting ontwijken. SOMO heeft daartoe hun gemiddelde effectieve belastingdruk in de periode van 2005 t/m 2014 vergeleken met de statutaire belastingtarieven in de diverse landen waar de ondernemingen actief zijn. Volgens het SOMO-onderzoeksrapport bedroeg de gemiddelde effectieve belastingdruk voor beursgenoteerde ondernemingen 21,45% en 17,88% voor de overige ondernemingen, hetgeen duidelijk lager is dan het gemiddelde statutaire tarief.