Aflevering 8

Gepubliceerd op 20 februari 2020

NTFR 2020/457 - DAC6 en het nieuwe feit: much ado about nothing?

Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020 geschreven door mr. M.B. Weijers
Op 17 december 2019 heeft de Eerste Kamer de Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies aangenomen. De wet treedt in werking per 1 juli 2020 en voorziet in de implementatie van de Europese meldingsplicht voor intermediairs en belastingplichtigen die betrokken zijn bij bepaalde grensoverschrijdende fiscale (en CRS-ontwijking) constructies. Met de meldingsplicht wordt beoogd belastingautoriteiten in een vroeg stadium voorzien van informatie over constructies waarmee in grensoverschrijdende situaties belasting kan worden ontweken. Zij kunnen daardoor sneller op dergelijke praktijken reageren, bijvoorbeeld door mazen in de wet te dichten of door gerichte belastingcontroles uit te voeren. Daarnaast zou van de meldingsplicht een afschrikeffect moeten uitgaan.

NTFR 2020/462 - Cassatieberoep ingetrokken tegen toekenning heffingskorting aan Nederlands echtpaar in Zweden

Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020
Belanghebbende en zijn echtgenote genieten van pensioen en wonen acht tot negen maanden per jaar in Zweden. Hof Den Bosch, 19 september 2019, nr. 18/00353 en 18/00354, NTFR 2020/173 met commentaar van Steijn) acht echter de duurzame banden van persoonlijke aard met Nederland voldoende sterk om aan te nemen dat zij (ook) zijn aan te merken als inwoners van Nederland. Zij zijn daarom binnenlandse belastingplichtige en hebben in beginsel recht op heffingskorting. Voor toepassing van het Verdrag Nederland – Zweden worden belanghebbende en zijn echtgenote geacht inwoner te zijn van Zweden, waardoor ze in Nederland beperkt binnenlands belastingplichtig zijn. Dit op basis van feit dat het echtpaar ongeveer 80% van de tijd woonachtig is in Zweden (gewoonlijk verblijf). Het Verdrag en het Unierecht staan niet in de weg aan toekenning van heffingskorting in dat geval. De staatssecretaris van Financiën heeft het cassatieberoep ingetrokken. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Het oordeel sluit ook aan bij eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, die inhoudt dat voor inwonerschap van Nederland niet nodig is dat de duurzame band van persoonlijke aard met Nederland sterker is dan die met een ander land (HR 12 april 2013, NTFR 2013/903 ter bevestiging van Centrale Raad van Beroep 4 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5323).

NTFR 2020/463 - (Nadere) Memorie van antwoord wetvoorstel Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet naar Eerste Kamer

Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020
De minister voor Milieu en Wonen heeft de memorie van antwoord en de Nadere memorie van antwoord van het wetsvoorstel Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet naar de Eerste Kamer gestuurd. Dit wetsvoorstel voorziet in de toevoeging aan de Omgevingswet van onder meer inrichting van het landelijk gebied en kavelruil in het stedelijk gebied. In het wetsvoorstel is onder meer een aanpassing van de ruilverkavelingsvrijstelling van art. 15, lid 1, onderdeel l, Wet BRV opgenomen.

NTFR 2020/464 - Verkrijging zendmasten niet vrijgesteld van overdrachtsbelasting

ECLI:NL:HR:2020:170, datum uitspraak 14-02-2020, publicatiedatum 14-02-2020
Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020 met annotatie van drs. R. van Haperen
Belanghebbende heeft 170 zendmasten van een telecommunicatienetwerk verkregen. Belanghebbende is niet gerechtigd tot aan de zendmast gekoppelde voorwerpen voor telecommunicatie, zoals kabels, leidingen, antennes en schotels. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2019, nr. 18/00303, NTFR 2019/1229 heeft geoordeeld dat ter zake van de verkrijging van de zendmasten overdrachtsbelasting is verschuldigd. Volgens het hof is de netwerkvrijstelling van art. 15, lid 1, onderdeel y, Wet BRV niet van toepassing. De Hoge Raad onderschrijft dat oordeel. Volgens de Hoge Raad bevat de parlementaire geschiedenis voldoende aanwijzingen dat de netwerkvrijstelling van toepassing kan zijn op zendmasten. Maar daaruit valt niet af te leiden dat de netwerkvrijstelling van toepassing is op onderhavige zendmasten, waarbij niet de onderdelen zijn verkregen die bestemd zijn voor transmissie van telecommunicatie, zoals kabels, leidingen, antennes of schotels.

NTFR 2020/466 - Derde cassatieronde: wederom verwijzing omtrent aftrek voorbelasting ter zake van geleverde auto’s

ECLI:NL:HR:2020:97, datum uitspraak 24-01-2020, publicatiedatum 24-01-2020
Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020 met annotatie van mr. P.F. Zijlstra
Belanghebbende exploiteerde een autobedrijf. Zij heeft omzetbelasting in aftrek gebracht ter zake van leveringen van auto’s door B. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van omzetbelasting omdat sprake is van fraude: de auto’s zijn niet aan belanghebbende geleverd. Na de eerste cassatieronde (HR 10 april 2015, nr. 14/01189, NTFR 2015/1302) en de tweede cassatieronde (HR 2 juni 2017, nr. 16/01568, NTFR 2017/1423) vernietigt de Hoge Raad ook in deze derde cassatieronde de hofuitspraak wegens een motiveringsgebrek. Hof Den Bosch (18 januari 2019, nr. 17/00398, NTFR 2019/1002) had geoordeeld dat aftrek van voorbelasting terecht is geweigerd omdat belanghebbende op geen enkel moment de macht heeft gehad om als eigenaar over deze auto’s te beschikken. Aan dit oordeel heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat belanghebbende geen debiteurenrisico heeft gelopen en dat belanghebbende geen verkoopresultaat heeft behaald met de in- en verkoop van de B-auto’s. Volgens de Hoge Raad zijn deze gevolgtrekkingen onvoldoende gemotiveerd. Deze zaak wordt daarom voor de derde keer verwezen.

NTFR 2020/470 - Bewijsoordeel hof inzake terpostbezorging aanslagbiljet invoerrechten is niet cassatieproof

ECLI:NL:HR:2020:202, datum uitspraak 07-02-2020, publicatiedatum 07-02-2020
Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Belanghebbende, gevestigd in Polen, heeft een aanslagbiljet met dagtekening 19 juni 2014 inzake invoerrechten en antidumpingrechten ontvangen. Deze douaneschulden zouden op 19 juni 2014 door verjaring tenietgaan. Volgens Hof Amsterdam (23 mei 2017, nr. 16/00204, NTFR 2017/1989) zijn de douaneschulden echter niet verjaard omdat het aannemelijk heeft geacht dat het onderhavige aanslagbiljet op 19 juni 2014 ter post is bezorgd door de Belastingdienst. In cassatie houdt dit bewijsoordeel echter geen stand. De Hoge Raad stelt voorop dat wanneer het aanslagbiljet aan de douaneschuldenaar wordt toegezonden, de dag van terpostbezorging van het aanslagbiljet bepalend is voor de beoordeling of de aanslag invoerrechten tijdig is meegedeeld.

NTFR 2020/473 - Nog geen plannen voor belasting voor industriële luchtvervuiling

Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020
Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat heeft mede namens de staatssecretaris van Financiën Kamervragen beantwoord over een belasting op luchtvervuiling in de Nederlandse industrie. Aanleiding voor de Kamervragen zijn het bericht ‘Belasting op industriële luchtvervuiling veelbelovend’ en de Centraal Planbureau (CPB) policy paper ‘Belasting op luchtvervuiling in de industrie’.

NTFR 2020/475 - Ondanks fout in parkeerapp terechte naheffingsaanslag parkeerbelasting

ECLI:NL:PHR:2020:51, datum uitspraak 23-01-2020, publicatiedatum 14-02-2020
Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020 met annotatie van mr. E.D. Postema
Belanghebbende heeft op 30 juni 2017 zijn auto geparkeerd in de Utrechtsestraat in de gemeente Tilburg. Hij heeft online, via een parkeerapp op zijn mobiele telefoon, parkeerbelasting voldaan voor één uur parkeren. Dat is gedaan op basis van de informatie gegeven door de parkeerapp. De parkeerapp gaf als mogelijkheid aan dat aldaar gedurende maximaal één uur geparkeerd kon worden tegen een tarief van € 2,20. Daarvan uitgaande heeft belanghebbende dat gedaan.

NTFR 2020/479 - Vrijspraak door strafrechter staat niet in de weg aan bewezenverklaring door belastingrechter

ECLI:NL:HR:2020:140, datum uitspraak 31-01-2020, publicatiedatum 31-01-2020
Aflevering 8, gepubliceerd op 20-02-2020 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
In een strafzaak is bewezen verklaard dat belanghebbende van 1994 t/m 1996 heeft gehandeld in hashish. Van deelname aan een criminele organisatie is hij vrijgesproken. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op f 1 miljoen, welk bedrag door belanghebbende is betaald. De inspecteur heeft voor die jaren aanslagen IB en VB opgelegd. Daarvoor heeft de inspecteur zich gebaseerd op informatie uit de strafzaak en de ontnemingszaak. Hof Amsterdam (27 november 2018, nrs. 16/00578 t/m 16/00584, NTFR 2019/413) heeft onder verwijzing naar de EHRM-zaak Melo Tadeu overwogen dat het vermoeden van onschuld ten aanzien van de feiten waarvan belanghebbende is vrijgesproken, zich ook uitstrekt tot de procedure over de aanslagen. Volgens de Hoge Raad is dit uitgangspunt juist. Maar het hof heeft daaruit ten onrechte afgeleid dat dit in de weg staat aan het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende ook inkomsten heeft genoten met activiteiten waarvan hij in de strafzaak is vrijgesproken. Een vrijspraak door de strafrechter staat immers niet eraan in de weg dat de gedragingen waarvan belanghebbende door de strafrechter is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs door de belastingrechter bewezen worden verklaard.